Verhandeling 177 - Woensdag, de rustdag

   
   Red Jesus Text: Aan | Uit    Paragraaf Nummers: Aan | Uit
AfdrukkenAfdrukkenSend by emailSend by email

Het Urantia Boek

Verhandeling 177

Woensdag, de rustdag


(1920.1) 177:0.1 WANNEER het werk van het onderricht aan het volk dit toeliet, waren Jezus en zijn apostelen gewoon om iedere woensdag uit te rusten van hun arbeid. Op deze bewuste woensdag ontbeten zij iets later dan gewoonlijk en heerste er in het kamp een onheilspellende stilte; tijdens de eerste helft van deze ochtendmaaltijd werd er slechts weinig gesproken. Eindelijk zei Jezus: ‘Ik wens dat jullie vandaag uitrusten. Neemt er de tijd voor om alles te overdenken wat er plaatsgevonden heeft sinds wij naar Jeruzalem zijn gekomen en denkt na over wat nu vlak voor ons ligt en waarover ik zo openlijk met jullie heb gesproken. Zorgt ervoor dat de waarheid steeds aanwezig is in jullie leven en dat jullie iedere dag groeit in genade.’

(1920.2) 177:0.2 Na het ontbijt deelde de Meester aan Andreas mede dat hij van plan was de hele dag afwezig te zijn en stelde voor dat de apostelen hun tijd naar eigen verkiezing zouden doorbrengen, onder voorbehoud dat zij onder geen beding de poorten van Jeruzalem zouden binnengaan.

(1920.3) 177:0.3 Toen Jezus zich gereedmaakte alleen de bergen in te gaan, sprak David Zebedeüs hem aan met de woorden: ‘Ge weet toch, Meester, dat de Farizeeën en oversten trachten u ter dood te brengen, en toch maakt ge aanstalten om alleen de bergen in te trekken. Dat is toch dwaasheid; ik zal daarom drie goed uitgeruste mannen met u meesturen om ervoor te zorgen dat u geen kwaad overkomt.’ Jezus nam de drie zwaarbewapende, stoere Galileeërs in ogenschouw en zei tot David: ‘Je bedoelt het goed, maar je ziet het verkeerd, in de zin dat je niet begrijpt dat de Zoon des Mensen niemand nodig heeft om hem te verdedigen. Geen mens zal de hand aan mij slaan voordat het uur is gekomen waarop ik gereed zal zijn mijn leven af te leggen overeenkomstig de wil mijns Vaders. Deze mannen mogen mij niet vergezellen. Ik wil alleen gaan, zodat ik met de Vader kan communiceren.’

(1920.4) 177:0.4 Toen zij deze woorden hoorden, trokken David en zijn gewapende lijfwachten zich terug, maar toen Jezus alleen op weg wilde gaan, kwam Johannes Marcus naar voren met een klein mandje met voedsel en water, en opperde dat Jezus, als hij van plan was de hele dag weg te blijven, wel eens honger zou kunnen krijgen. De Meester lachte Johannes toe en bukte zich om het mandje over te nemen.

1. Een dag alleen met God

(1920.5) 177:1.1 Toen Jezus op het punt stond het lunchmandje uit handen van Johannes over te nemen, raapte de jongeman al zijn moed bijeen en zei: ‘Maar Meester, ge zoudt het mandje neer kunnen zetten terwijl ge ergens gaat bidden en het vergeten als ge verdergaat. En bovendien, als ik mee zou gaan om het eten te dragen, zoudt ge u vrijer aan het gebed kunnen wijden, en ik zal beslist stil zijn. Ik zal geen vragen stellen en bij het mandje blijven wanneer u zich afzondert om te bidden.’

(1920.6) 177:1.2 Terwijl Johannes deze toespraak hield, waarvan de vrijmoedigheid sommige omstanders verbaasde, had hij zich verstout om het mandje vast te blijven houden. Zo stonden ze daar, Johannes en Jezus, beiden het mandje vasthoudend. Een ogenblik later liet de Meester los en op de jongen neerziend, zei hij: ‘Omdat je er met je hele hart naar hunkert met mij mee te gaan, zal je dit niet geweigerd worden. Wij zullen er samen op uit gaan en een fijne dag hebben. Je mag me iedere vraag stellen die in je hart opkomt, en we zullen elkaar opbeuren en troosten. Jij mag beginnen het mandje te dragen, en wanneer je moe wordt zal ik je helpen. Kom nu maar met me mee.’

(1921.1) 177:1.3 Jezus kwam pas ’s avonds na zonsondergang in het kamp terug. De Meester bracht deze laatste dag van ongestoorde rust op aarde pratend door met deze naar waarheid hunkerende jongen en ook sprak hij met zijn Paradijs-Vader. Deze gebeurtenis staat in den hoge bekend als ‘de dag die een jongeman met God in de bergen doorbracht.’ Dit voorval geldt voor eeuwig als een voorbeeld van de bereidheid van de Schepper om de metgezel te zijn van de geschapen mens. Als het verlangen van zijn hart werkelijk allesoverheersend is, kan zelfs een jongen de aandacht trekken van de God van een universum en zich verheugen in diens liefdevolle gezelschap, kan hij daadwerkelijk de onvergetelijke verrukking ervaren alleen met God in de bergen te zijn, een hele dag lang. Dit was de uitzonderlijke belevenis van Johannes Marcus op die woensdag in de bergen van Judea.

(1921.2) 177:1.4 Jezus praatte veel met Johannes, en zij spraken vrijelijk over zaken van deze wereld en die van de volgende. Johannes vertelde Jezus hoezeer hij betreurde dat hij niet oud genoeg was geweest om een van de apostelen te kunnen zijn, en uitte zijn grote dankbaarheid voor het feit dat hij, sinds de tijd dat zij waren begonnen te prediken bij de doorwaadbare plaats van de Jordaan bij Jericho, met hen had mogen optrekken, behalve op de tocht naar Fenicië. Jezus waarschuwde de jongen niet de moed te verliezen door de aanstaande gebeurtenissen en verzekerde hem dat hij in zijn latere leven een machtig boodschapper van het koninkrijk zou worden.

(1921.3) 177:1.5 Wanneer Johannes Marcus later terugdacht aan deze dag met Jezus in de bergen, werd hij er steeds door ontroerd, maar hij vergat nooit de laatste waarschuwing van de Meester toen ze op het punt stonden naar het kamp van Getsemane terug te keren: ‘Wel Johannes, we hebben een mooie dag gehad samen, een echte rustdag, maar zorg ervoor dat je met niemand spreekt over de dingen die ik je vandaag gezegd heb.’ En Johannes Markus heeft ook inderdaad nooit iets onthuld van hetgeen hem die dag met Jezus in de bergen duidelijk was geworden.

(1921.4) 177:1.6 De weinige nog resterende uren van Jezus’ aardse leven hield Johannes Marcus de Meester aldoor zoveel mogelijk in het oog. Steeds hield de jongen zich ergens dichtbij hem in de buurt schuil: hij sliep alleen wanneer Jezus sliep.

2. De vroege levensjaren in het gezin

(1921.5) 177:2.1 In de loop van zijn samenzijn met Johannes Marcus op deze dag, besteedde Jezus heel wat tijd aan het vergelijken van hun beider vroege kinderjaren en latere ervaring als jongens. Ofschoon de ouders van Johannes meer goederen dezer wereld bezaten dan het geval was geweest met Jezus’ ouders, vertoonden hun ervaringen in hun jongensjaren toch grote overeenkomsten. Jezus zei vele dingen die Johannes hielpen om zijn ouders en andere familieleden beter te begrijpen. Toen de jongen de Meester vroeg hoe deze kon weten dat hij later een ‘machtig boodschapper van het koninkrijk’ zou worden, zei Jezus:

(1921.6) 177:2.2 ‘Ik weet dat je trouw zult blijken aan het evangelie van het koninkrijk, omdat ik ook op je huidige geloof en liefde kan rekenen, waar deze eigenschappen gefundeerd zijn op een opvoeding zoals jou in je vroege jeugd thuis ten deel is gevallen. Jij bent grootgebracht in een gezin waar de ouders elkaar oprecht liefhebben, en daarom ben je niet overmatig bemind, waardoor je gevoel van eigenwaarde nadelig vergroot zou zijn. En ook is je persoonlijkheid niet misvormd door liefdeloze onderlinge manoeuvres van je ouders om jouw vertrouwen en aanhankelijkheid. Je hebt de ouderlijke liefde genoten die je verzekert van een prijzenswaardig zelfvertrouwen en die een normaal gevoel van veiligheid aankweekt. Maar je bent ook fortuinlijk geweest, in de zin dat je ouders hebt gehad die niet alleen liefde, maar ook wijsheid bezaten. En deze wijsheid bracht hen ertoe je de meeste vormen van verwennerij en vele luxe dingen die rijke mensen kunnen kopen, te onthouden, en je naar de synagogeschool te sturen samen met je speelmakkers uit de buurt, en ze hebben je bovendien aangemoedigd om te leren hoe je in deze wereld moet leven door je toe te staan je eigen ervaring op te doen. Je kwam met je vriendje Amos naar de Jordaan waar wij predikten en de discipelen van Johannes doopten. Jullie verlangden beiden om met ons mee te gaan. Toen jullie naar Jeruzalem teruggingen, gaven jouw ouders hun toestemming, maar de ouders van Amos weigerden die. Zij hielden zoveel van hun zoon, dat zij hem de zegenrijke ervaring ontzegden die jij hebt gehad, zo’n ervaring als jij vandaag mag meemaken. Door weg te lopen van huis zou Amos zich bij ons hebben kunnen voegen, maar als hij dat gedaan had, zou hij hun gevoelens van liefde hebben gekwetst en zijn loyaliteit hebben opgeofferd. Zelfs indien het verstandig geweest zou zijn deze weg in te slaan, zou dit een vreselijke prijs zijn geweest voor ervaring, onafhankelijkheid en vrijheid. Verstandige ouders, zoals de jouwe, zorgen ervoor dat kinderen, wanneer zij jouw leeftijd bereikt hebben, geen liefdegevoelens behoeven te kwetsen en geen loyaliteit behoeven te onderdrukken, zodat zij onafhankelijkheid kunnen ontwikkelen en een vrijheid kunnen genieten die hen sterk maakt.

(1922.1) 177:2.3 ‘Liefde, Johannes, is de allerhoogste werkelijkheid van het universum wanneer zij door alwijze wezens wordt geschonken, maar het is een gevaarlijke en vaak half-zelfzuchtige trek zoals zij wordt gemanifesteerd in de ervaring van menselijke ouders. Wanneer jij trouwt en eigen kinderen zult hebben op te voeden, zorg er dan voor dat je liefde de wijsheid in acht neemt en zich door intelligentie laat leiden.

(1922.2) 177:2.4 Je vriend Amos gelooft evenzeer als jij in dit evangelie van het koninkrijk, maar ik kan niet volledig op hem bouwen: ik ben er niet zeker van wat hij in de komende jaren zal doen. Zijn vroege jeugd thuis was niet van die aard dat hij een volledig betrouwbaar mens heeft kunnen worden. Amos lijkt teveel op een van de apostelen die ook geen normale, liefdevolle en verstandige opvoeding thuis heeft genoten. Jouw hele verdere leven zal gelukkiger en zekerder zijn, omdat je je eerste acht levensjaren in een normaal en goed geregeld thuis hebt doorgebracht. Jij hebt een sterk en hecht karakter, omdat je bent opgegroeid in een ouderlijk huis waar liefde de boventoon voerde en waar wijsheid regeerde. Zulk een opvoeding in je jeugd brengt een soort loyaliteit voort, die mij ervan verzekert dat je door zult gaan op de weg die je bent ingeslagen."

(1922.3) 177:2.5 Meer dan een uur lang praatten Jezus en Johannes door over het huiselijk leven. De Meester legde daarbij Johannes uit dat een kind voor al zijn aanvankelijke ideeën over alle verstandelijke, sociale, morele en zelfs geestelijke zaken, volledig afhankelijk is van zijn ouders en het leven in het gezin dat met dezen is verbonden, omdat het gezin voor het jonge kind alles vertegenwoordigt wat hij in eerste instantie kan weten van zowel menselijke als goddelijke verhoudingen. Het kind moet zijn eerste indrukken van het universum ontlenen aan de zorg die hij van zijn moeder ondervindt; hij is volledig afhankelijk van zijn aardse vader voor zijn eerste ideeën over de hemelse Vader. Het latere leven van het kind wordt gelukkig of ongelukkig, gemakkelijk of moeilijk gemaakt, overeenkomstig zijn mentale en emotionele leven, dat bepaald is door deze sociale en geestelijke betrekkingen in het gezin. Het hele latere leven van een mens wordt enorm beïnvloed door wat er gebeurt in de eerste jaren van zijn bestaan.

(1922.4) 177:2.6 Wij zijn er oprecht van overtuigd dat het evangelie zoals Jezus dit leerde en dat zozeer op de vader-kind-verhouding is gefundeerd, moeilijk wereldwijd aanvaard zal kunnen worden voordat het huiselijke leven van de moderne beschaafde volken meer liefde en meer wijsheid behelst. Niettegenstaande dat de ouders van de twintigste eeuw grote kennis bezitten en ook meer van de waarheid weten om een beter thuis te kunnen scheppen en hun huiselijk leven meer adeldom te kunnen geven, blijft het een feit dat maar zeer weinig moderne gezinnen even goede plaatsen zijn om jongens en meisjes op te voeden als het ouderlijk huis van Jezus in Galilea en dat van Johannes Marcus in Judea, alhoewel het aanvaarden van de leer van Jezus een onmiddellijke verbetering van het huiselijke leven tengevolge zal hebben. Het leven van liefde in een huis van wijze ouders, en de trouwe toewijding die voortkomt uit echte religie, oefenen een grote wederzijdse invloed op elkaar uit. Zulk gezinsleven verhoogt de religie, en echte religie verheerlijkt altijd het gezinsleven.

(1923.1) 177:2.7 Het is waar dat veel van de laakbare, groei-belemmerende invloeden en andere benauwende trekken van het Joodse gezinsleven van vroeger, praktisch verdwenen zijn bij veel van de beter bestuurde gezinnen van de moderne tijd. Er bestaat inderdaad meer spontane vrijheid en veel meer persoonlijke vrijheid, maar deze vrijheid wordt niet door liefde ingetoomd, gemotiveerd door loyaliteit, of gericht door de intelligente discipline van wijsheid. Zolang wij het kind leren bidden, ‘Onze Vader die in de hemelen zijt,’ rust er een enorme verantwoordelijkheid op alle aardse vaders om zo te leven en hun huiselijk leven zo te regelen, dat het woord vader een waardige, heilige plaats zal vinden in de gedachten en het hart van alle opgroeiende kinderen.

3. De dag in het kamp

(1923.2) 177:3.1 Het grootste deel van deze dag wandelden de apostelen rond op de Olijfberg en praatten zij met de discipelen die met hen in het kamp waren, maar al vroeg in de middag begonnen zij erg naar de terugkomst van Jezus uit te zien. Naarmate de dag vorderde, werden zij steeds on- geruster over zijn veiligheid; zij voelden zich onuitsprekelijk eenzaam zonder hem. De hele dag door werd er veel van gedachten gewisseld over de vraag of zij het wel hadden mogen toelaten dat de Meester alleen de bergen inging, met slechts een loopjongen als gezelschap. Ofschoon niemand zijn gedachten in dit opzicht openlijk onder woorden bracht, was er geen van hen, behalve Judas Iskariot, die niet wenste dat hij in de schoenen van Johannes Marcus stond.

(1923.3) 177:3.2 Ongeveer halverwege de middag hield Natanael voor ongeveer de helft van de apostelen en evenzovele discipelen zijn toespraak over ‘Het allerhoogst verlangen’, en hij eindigde met de woorden: ‘Wat er bij de meesten van ons aan schort is dat wij zo halfslachtig zijn. Wij schieten tekort in onze liefde voor de Meester, vergeleken bij zijn liefde voor ons. Als wij allen even sterk als Johannes Marcus verlangd hadden om met hem mee te gaan, zou hij ons zeker allemaal hebben meegenomen. Wij zagen werkeloos toe toen de jongen naar de Meester ging en hem het mandje aanbood, maar toen de Meester het aanpakte, wilde de jongen het niet loslaten. En zo heeft de Meester ons hier achtergelaten, terwijl hij de bergen inging met het mandje en de jongen erbij.’

(1923.4) 177:3.3 Om ongeveer vier uur arriveerden er koeriers bij David Zebedeüs met berichten van zijn eigen moeder in Betsaïda en van de moeder van Jezus. Enige dagen tevoren was David tot de conclusie gekomen dat de overpriesters en oversten Jezus ter dood zouden gaan brengen. David wist dat zij vastbesloten waren de Meester uit de weg te ruimen en hij was er vrijwel van overtuigd dat Jezus zijn goddelijke kracht niet zou aanwenden om zichzelf te redden, en dat hij evenmin zijn volgelingen zou toestaan om hem met geweld te verdedigen. Toen hij tot deze conclusies was gekomen, stuurde hij onmiddellijk een koerier naar zijn moeder met het dringende verzoek onmiddellijk naar Jeruzalem te komen en Maria, de moeder van Jezus, en alle leden van haar gezin mee te brengen.

(1923.5) 177:3.4 Davids moeder deed zoals haar zoon haar had gevraagd, en nu kwamen de koeriers bij David terug met het bericht dat zijn moeder en de gehele familie van Jezus op weg waren naar Jeruzalem en de volgende dag laat in de middag, of de daarop volgende morgen heel vroeg, zouden aankomen. Omdat David dit op eigen initiatief had gedaan, leek het hem verstandig de zaak stil te houden. Hij vertelde daarom aan niemand dat de familie van Jezus onderweg was naar Jeruzalem.

(1924.1) 177:3.5 Even na het middaguur kwamen meer dan twintig van de Grieken die ten huize van Jozef van Arimatea met Jezus en de twaalf hadden gesproken, aan in het kamp, aan en Petrus en Johannes spraken urenlang met hen. Deze Grieken, althans enkelen van hen, hadden gevorderde kennis van het koninkrijk doordat ze onderricht hadden ontvangen van Rodan in Alexandrië.

(1924.2) 177:3.6 Toen Jezus was teruggekeerd in het kamp, onderhield hij zich die avond met de Grieken, en ware het niet dat zulk een gang van zaken zijn apostelen en velen van zijn vooraanstaande discipelen zeer verontrust zou hebben, dan zou hij deze twintig Grieken hebben gewijd zoals hij het ook de zeventig had gedaan.

(1924.3) 177:3.7 Terwijl dit alles in het kamp plaatsvond, verbaasden de overpriesters en de oudsten in Jeruzalem zich erover dat Jezus niet terugkwam om de menigten toe te spreken. Weliswaar had hij de dag tevoren, toen hij de tempel verliet, gezegd: ‘Ik laat u uw huis verlaten achter.’ Zij konden echter niet begrijpen waarom hij bereid was het grote voordeel te laten schieten dat hij had opgebouwd in de welgezinde houding van de menigten. Terwijl zij vreesden dat hij een grote beroering onder de mensen zou teweegbrengen, waren de laatste woorden van de Meester tot de menigte een aansporing geweest om zich in alle redelijkheid te schikken naar het gezag van hen ‘die op de stoel van Mozes zitten.’ Het was echter een drukke dag in de stad, omdat zij zich tegelijkertijd gereedmaakten voor het Paasfeest en hun plannen afrondden om Jezus uit de weg te ruimen.

(1924.4) 177:3.8 Er kwamen niet veel mensen naar het kamp, omdat de inrichting daarvan geheim gehouden was, een geheim dat goed bewaard werd door allen die wisten dat Jezus van plan was daar te verblijven, in plaats van elke avond naar Betanië te gaan.

4. Judas en de overpriesters

(1924.5) 177:4.1 Kort nadat Jezus en Johannes Marcus het kamp hadden verlaten, verdween Judas Iskariot uit het gezelschap van zijn broeders om pas laat in de middag terug te keren. Ondanks het nadrukkelijke verzoek van zijn Meester om Jeruzalem niet in te gaan, vertrok deze verwarde en ontevreden apostel haastig naar het huis van Kajafas, de hogepriester, om zijn afspraak met de vijanden van Jezus na te komen. Dit was een onofficiële bijeenkomst van het Sanhedrin, die om even na tien uur die morgen zou plaatshebben. Deze vergadering was belegd om de aard van de beschuldigingen te bespreken die tegen Jezus zouden worden ingebracht, en om te beslissen welke handelwijze zou moeten worden gevolgd om hem voor de Romeinse autoriteiten te brengen, teneinde van het civiele gezag de noodzakelijke bevestiging te krijgen van het doodvonnis dat zij reeds over hem hadden uitgesproken.

(1924.6) 177:4.2 De vorige dag had Judas aan enkelen van zijn familieleden, en aan bepaalde Sadducese vrienden van de familie van zijn vader, onthuld dat hij tot de conclusie was gekomen dat Jezus weliswaar een welmenende dromer en idealist was, maar niet de verwachte bevrijder van Israel. Judas verklaarde dat hij heel graag een manier zou willen vinden om zich met goed fatsoen uit de hele beweging terug te trekken. Zijn vrienden verzekerden hem op vleiende toon dat zijn uittreden door de Joodse oversten als een grote gebeurtenis verwelkomd zou worden en dat niets te goed voor hem zou zijn. Zij deden hem geloven dat hij onmiddellijk hoge ereblijken van het Sanhedrin zou ontvangen en dat hij zich eindelijk geheel zou kunnen zuiveren van de blaam van zijn goedbedoelde, maar ‘ongelukkige omgang met die ongeletterde Galileeërs.’

(1924.7) 177:4.3 Het wilde er bij Judas niet in dat de machtige werken van de Meester door de macht van de vorst der duivels verricht waren, maar hij was er nu volledig van overtuigd dat Jezus zijn kracht niet zou aanwenden ter zelfverheerlijking; hij was er ten slotte van overtuigd geraakt dat Jezus zou toelaten dat de Joodse oversten hem uit de weg zouden ruimen, en hij kon de vernederende gedachte niet verdragen dat hij met een verslagen beweging zou worden vereenzelvigd. Hij wilde een ogenschijnlijke mislukking eenvoudig niet overwegen. Hij kende het stoere karakter van zijn Meester en de scherpte van diens majesteitelijk en barmhartig verstand heel goed, maar toch deed het hem genoegen om ten dele mee te gaan met de suggestie van een van zijn verwanten, dat Jezus een fanaticus was met goede bedoelingen, maar waarschijnlijk niet helemaal goed bij zijn verstand: dat hij altijd al een vreemde, verkeerd begrepen man had geleken.

(1925.1) 177:4.4 En nu, als nooit tevoren, voelde Judas zich merkwaardig gepikeerd omdat Jezus hem nooit een eervollere positie had gegeven. Al deze jaren had hij zich vereerd gevoeld de penningmeester der apostelen te zijn, maar nu kreeg hij het gevoel dat hij niet gewaardeerd werd, dat zijn bekwaamheden niet werden erkend. Plotseling werd hij overmeesterd door verontwaardiging omdat Petrus, Jakobus en Johannes vereerd waren met de opdracht in nauw contact met Jezus te blijven, en op dit moment, op weg naar het huis van de hogepriester, was hij er meer op uit om dit Petrus, Jakobus, en Johannes betaald te zetten, dan dat hij eraan dacht om Jezus te verraden. Maar over dit alles heen en boven dit alles uit kwam er vervolgens een nieuwe, overheersende gedachte in zijn bewustzijn op de voorgrond: hij was op weg gegaan om ereblijken voor zichzelf te bemachtigen, en als hij dit kon bereiken tegelijk met een afrekening met degenen die tot de grootste teleurstelling in zijn leven hadden bijgedragen, des te beter. Verschrikkelijke gevoelens van verwarring, trots, wanhoop, en vastbeslotenheid spanden samen en hielden hem in hun macht. En zo moet het u wel duidelijk zijn dat het Judas niet om geld te doen was toen hij op weg ging naar het huis van Kajafas om een afspraak te maken om Jezus te verraden.

(1925.2) 177:4.5 Toen Judas het huis van Kajafas naderde, kwam hij tot het definitieve besluit om Jezus en zijn mede-apostelen te verlaten; en toen hij aldus had besloten de zaak van het koninkrijk des hemels in de steek te laten, was hij vastbesloten om voor zichzelf zoveel mogelijk binnen te halen van de eer en roem die, naar hij dacht toen hij zich aanvankelijk met Jezus en het nieuwe evangelie van het koninkrijk verbond, hem eens te beurt zouden vallen. Alle apostelen hadden eens deze ambitie met Judas gemeen gehad, maar na verloop van tijd leerden ze steeds meer bewondering te hebben voor de waarheid en Jezus lief te hebben, althans meer dan Judas.

(1925.3) 177:4.6 De verrader werd aan Kajafas en de Joodse oversten voorgesteld door zijn neef; deze legde uit dat Judas had ingezien dat hij zich had vergist toen hij zich door de arglistige leer van Jezus had laten verleiden, en dat hij thans zover was, dat hij openlijk en formeel zijn verbintenis met de Galileeër wilde afzweren en tegelijkertijd wilde verzoeken om weer in het vertrouwen en de gemeenschap van zijn Judese broeders te worden hersteld. Deze woordvoerder voor Judas legde verder uit dat Judas inzag dat het voor de vrede van Israel het beste zou zijn indien Jezus in hechtenis zou worden genomen en dat hij, als blijk van zijn spijt dat hij had deelgenomen aan een beweging van dergelijk dwaalgeloof, en als blijk van de oprechtheid van zijn terugkeer tot de leer van Mozes, nu hier was gekomen om zich aan te bieden aan het Sanhedrin als de man die een zodanige regeling kon maken met de kapitein die het bevel had gekregen om Jezus te arresteren, dat hij in alle rust in hechtenis kon worden genomen, zodat alle gevaar dat de scharen in beweging zouden komen, vermeden kon worden en er geen noodzaak bestond zijn arrestatie uit te stellen tot na het Pascha.

(1925.4) 177:4.7 Toen zijn neef ophield met spreken, stelde hij Judas voor, die naar voren trad tot bij de hogepriester en zei: ‘Al wat mijn neef heeft beloofd, zal ik doen, maar wat zijt gij bereid mij te geven voor mijn diensten?’ Judas scheen de blik van verachting, ja zelfs walging, niet op te merken die op het gelaat van de hardvochtige, opgeblazen Kajafas verscheen; zijn hart ging te zeer uit naar roem voor zichzelf en dorstte naar de voldoening om in aanzien te komen.

(1926.1) 177:4.8 Toen zag Kajafas neer op de verrader en zei: ‘Judas, ga naar de kapitein van de wacht en regel het zo met die officier dat ge uw Meester òf vanavond òf morgenavond bij ons brengt, en wanneer hij door u aan ons overgeleverd zal zijn, zult ge uw beloning ontvangen voor deze dienst.’ Toen Judas dit hoorde, verliet hij het gezelschap van overpriesters en oversten om overleg te plegen met de kapitein van de tempelwacht over de wijze waarop Jezus gearresteerd zou moeten worden. Judas wist dat Jezus op dat moment niet in het kamp aanwezig was en hij had er geen idee van wanneer hij die avond zou terugkeren, en dus kwamen ze met elkaar overeen Jezus de volgende avond (donderdag) te arresteren, nadat de inwoners van Jeruzalem en alle pelgrims die naar Jeruzalem waren gekomen, zich zouden hebben teruggetrokken voor de nacht.

(1926.2) 177:4.9 Bedwelmd door gedachten aan grootheid en roem zoals hij in vele dagen niet had gehad, keerde Judas naar zijn metgezellen in het kamp terug. Hij had zich aangesloten bij Jezus in de hoop eens een groot man te worden in het nieuwe koninkrijk. Hij had zich eindelijk gerealiseerd dat er geen nieuw koninkrijk, zoals hij dat had verwacht, zou komen. Maar hij was blij dat hij zo schrander was geweest zijn teleurstelling over het feit dat hij geen roem zou verwerven in een verwacht nieuw koninkrijk, in te ruilen voor de ogenblikkelijke verwezenlijking van eer en beloning in de oude orde die, naar hij nu geloofde, zou blijven bestaan en door welke Jezus en alles wat deze vertegenwoordigde, teniet zou worden gedaan. Naar de diepste beweegreden van zijn bewuste voornemen, was Judas’ verraad van Jezus de lafhartige daad van een zelfzuchtige overloper die alleen dacht aan zijn eigen veiligheid en roem, onverschillig wat de gevolgen van zijn gedrag voor zijn Meester en zijn vroegere metgezellen mochten zijn.

(1926.3) 177:4.10 Maar zo was het altijd gegaan. Judas was al een hele tijd bezig geweest met het opzettelijk en volhardend voeden van zelfzuchtige en wraakzuchtige gedachten en dit was steeds sterker in hem geworden; in zijn hart koesterde hij deze ontrouw en deze hatelijke en slechte verlangens om zich te wreken. Jezus had Judas lief en vertrouwde hem, net zoals hij de andere apostelen liefhad en vertrouwde, maar Judas slaagde er niet om van zijn kant loyaal vertrouwen te ontwikkelen en oprechte wederliefde te gevoelen. En hoe gevaarlijk kan eerzucht niet worden wanneer deze eenmaal geheel is gekoppeld aan eigenbelang, en als hoogste beweegreden slechts een koppig, lang onderdrukt verlangen naar wraak kent! Welk een vernietigende uitwerking heeft teleurstelling in het leven van dwazen die zich laten fascineren door de schaduwachtige en voorbijgaande dingen in de tijd, en daardoor blind worden voor de hogere, meer werkelijke prestaties van het bereiken van de immer standhoudende niveaus in de eeuwige werelden van goddelijke waarden en ware geestelijke realiteiten. Judas hunkerde in zijn denken naar wereldse eer, en dit werd steeds sterker totdat hij deze begeerte met geheel zijn hart beminde; de andere apostelen hunkerden in hun gedachten naar dezelfde wereldse eer, maar in hun hart hadden zij Jezus lief en ze deden hun best om de waarheden die hij hun onderrichtte ook te leren beminnen.

(1926.4) 177:4.11 Judas besefte het op dit ogenblik niet, maar sinds Johannes de Doper door Herodes was onthoofd, had hij in zijn onderbewustzijn kritiek gehad op Jezus. In het diepst van zijn hart had Judas altijd wrok gekoesterd over het feit dat Jezus Johannes niet had gered. Ge moet niet vergeten dat Judas een discipel van Johannes was geweest, voordat hij een volgeling werd van Jezus. Deze hele opeenhoping van menselijke wrok en bittere teleurstelling, die Judas in zijn ziel had opgespaard in het gewaad van haatgevoelens, was nu goed georganiseerd in zijn onderbewustzijn en stond klaar om naar boven te komen en hem te overspoelen, wanneer hij het eenmaal zou wagen zich los te maken van de ondersteunende invloed van zijn broeders en zich tegelijkertijd bloot zou stellen aan de handige verdachtmakingen en geraffineerde spot van de vijanden van Jezus. Iedere keer wanneer Judas meende hoge verwachtingen te mogen koesteren en Jezus iets deed of zei waardoor deze de bodem werden ingeslagen, bleef er in het hart van Judas aldoor een litteken van bittere wrok achter; naargelang deze littekens in aantal toenamen, verloor dit hart, dat zo dikwijls was verwond, thans dan ook alle werkelijke genegenheid voor degene die hem deze onaangename ervaringen had bezorgd, hem, een persoonlijkheid die weliswaar goede bedoelingen had, maar ook laf en egocentrisch was. Judas besefte het niet, maar hij was een lafaard. Bijgevolg was hij altijd geneigd Jezus lafheid toe te dichten als diens beweegreden om zo dikwijls te weigeren een greep naar de macht of naar glorie te doen, wanneer deze ogenschijnlijk ruimschoots binnen zijn bereik waren. En ieder sterfelijk mens weet maar al te goed hoe liefde, ook als zij eens echt is geweest, door teleurstelling, jaloezie en lang gekoesterde wrok, uiteindelijk in daadwerkelijke haat kan verkeren.

(1927.1) 177:4.12 Eindelijk konden de overpriesters en oudsten een paar uur ruimer ademhalen. Ze zouden Jezus niet in het openbaar behoeven te arresteren, en dat zij Judas als een verrader-bondgenoot hadden gewonnen, gaf hun de zekerheid dat Jezus niet zou ontsnappen uit hun rechtsgebied, zoals hij in het verleden zo dikwijls had gedaan.

5. Het laatste uur van gezelligheid

(1927.2) 177:5.1 Omdat het woensdag was, werd deze avond gewoontegetrouw onder elkaar in het kamp doorgebracht. De Meester trachtte zijn terneergeslagen apostelen op te vrolijken, maar dit was vrijwel onmogelijk. Ze begonnen allen te beseffen dat er ontstellende, schokkende gebeurtenissen voor de deur stonden. Zij konden zich niet opgewekt voelen, zelfs niet toen de Meester herinneringen uit de jaren van hun veelbewogen, liefdevolle samenwerking ophaalde. Jezus informeerde nauwgezet naar de gezinnen van alle apostelen en terwijl hij David Zebedeüs aankeek, vroeg hij of iemand in de laatste tijd iets van zijn moeder, zijn jongste zuster, of van de andere leden van zijn familie had gehoord. David keek naar de grond: hij durfde niet te antwoorden.

(1927.3) 177:5.2 Bij deze gelegenheid waarschuwde Jezus zijn volgelingen op hun hoede te zijn voor de steun van de massa. Hij herinnerde hen aan hun ondervindingen in Galilea, toen er herhaaldelijk grote menigten geestdriftig achter hen waren aangetrokken, om zich daarna even fel tegen hen te keren en terug te keren naar hun vroegere geloof en levenswijze. En vervolgens zei hij: ‘En dus moeten jullie je niet laten misleiden door de grote scharen die ons in de tempel hebben aangehoord en ons onderricht schenen te geloven. Deze menigten luisteren wel naar de waarheid en nemen deze ook oppervlakkig aan met hun verstand, maar slechts weinigen laten het woord van de waarheid tot hun hart doordringen om daar wortel te schieten. Van degenen die het evangelie alleen met het hoofd kennen en die het niet in hun hart hebben ervaren, is geen steun te verwachten wanneer er werkelijk moeilijkheden komen. Wanneer de oversten der Joden tot overeenstemming komen om de Zoon des Mensen uit de weg te ruimen, en wanneer zij eensgezind toeslaan, zullen jullie zien hoe de menigte ofwel ontsteld zal vluchten, of lijdelijk in zwijgende verbazing zal toezien hoe deze verdwaasde, verblinde oversten de leraren van de waarheid van het evangelie ter dood brengen. En dan, wanneer tegenspoed en vervolging over jullie zullen komen, zullen nog weer anderen, van wie je denkt dat ze de waarheid liefhebben, verstrooid worden en sommigen zullen het evangelie verzaken en jullie in de steek laten. Enkelen die ons zeer na hebben gestaan, hebben reeds besloten ons in de steek te laten. Jullie hebt vandaag een rustdag gehouden om je voor te bereiden op de tijd die nu voor ons is aangebroken. Weest daarom waakzaam en bidt, opdat jullie morgen kracht moogt hebben ontvangen voor de dagen die vlak voor ons liggen.’

(1927.4) 177:5.3 De sfeer in het kamp was van een onverklaarbare spanning vervuld. Stille boodschappers kwamen en gingen, en hadden alleen contact met David Zebedeüs. Voordat de avond voorbij was, wisten bepaalde personen reeds dat Lazarus overhaast uit Betanië was gevlucht. Johannes Marcus was onheilspellend stil toen ze in het kamp terug waren, ondanks het feit dat hij de hele dag in het gezelschap van de Meester had doorgebracht. Iedere poging om hem tot praten te krijgen, bracht alleen maar duidelijk aan het licht dat Jezus hem gezegd had niets te vertellen.

(1928.1) 177:5.4 Zelfs de opgewektheid van de Meester en zijn ongewone gemeenzaamheid maakte hen bang. Zij voelden allen met zekerheid hun verschrikkelijke isolement aankomen en beseften dat dit hen met een onontkoombare verschrikking verpletterend en plotseling zou overvallen. Zij voelden vagelijk aan wat er op handen was en niemand voelde zich klaar om deze beproeving het hoofd te bieden. De Meester was de hele dag weggeweest; zij hadden hem enorm gemist.

(1928.2) 177:5.5 Deze woensdagavond vormde wel het dieptepunt in hun geestelijke toestand tot aan het stervensuur van de Meester. Hoewel de volgende dag hen weer één dichter bij de tragische vrijdag bracht, was de Meester nu althans bij hen, en zij kwamen de angstige uren van die dag beter door.

(1928.3) 177:5.6 Vlak voor middernacht stuurde Jezus hen ter ruste en zei, wel wetende dat dit de laatste nacht was zijn dat hij zou kunnen doorslapen met zijn uitverkozen familie op aarde: ‘Ga slapen, broeders, en vrede zij met jullie tot wij morgenochtend opstaan en opnieuw een dag zullen hebben om de wil van de Vader te doen en de vreugde te ervaren dat wij weten dat wij zijn zonen zijn.’



Información de fondo

AfdrukkenAfdrukken

Urantia Foundation, 533 W. Diversey Parkway, Chicago, IL 60614, USA
Telefoon: +1-773-525-3319
© Urantia Foundation. Alle rechten voorbehouden