Verhandeling 176 - Dinsdagavond op de Olijfberg

   
   Red Jesus Text: Aan | Uit    Paragraaf Nummers: Aan | Uit
AfdrukkenAfdrukkenSend by emailSend by email

Het Urantia Boek

Verhandeling 176

Dinsdagavond op de Olijfberg


(1912.1) 176:0.1 DEZE dinsdagmiddag, toen Jezus en de apostelen de tempel verlieten en op weg gingen naar het kamp in Getsemane, vestigde Matteüs hun aandacht op de tempelgebouwen en zei: ‘Meester, zie toch eens wat voor gebouwen dat zijn. Zie die zware stenen en prachtige versiering, is het mogelijk dat deze gebouwen verwoest zullen worden?’ Terwijl zij verder liepen naar de Olijfberg, zei Jezus: ‘Jullie zien die stenen en die grootse tempel; voorwaar, voorwaar, ik zeg jullie: in de dagen die spoedig zullen aanbreken, zal niet één steen op de andere gelaten worden. Ze zullen alle worden neergehaald.’ Deze opmerkingen die de verwoesting van de heilige tempel beschreven, wekten de nieuwsgierigheid van de apostelen terwijl zij achter de Meester aan liepen; zij konden zich geen gebeurtenis indenken, anders dan het einde der wereld, die de verwoesting van de tempel teweeg zou kunnen brengen.

(1912.2) 176:0.2 Om de mensenmenigten te vermijden die zich door het dal van de Kidron naar Getsemane bewogen, waren Jezus en zijn metgezellen van zins de westelijke helling van de de Olijfberg een eindje op te gaan en daarna een smal pad te volgen naar hun eigen kamp bij Getsemane, iets hoger gelegen dan het openbare kampeerterrein. Toen zij de weg, die doorliep naar Betanië, verlieten, zagen ze de tempel opnieuw, verheerlijkt door de stralen van de ondergaande zon, en terwijl zij zo een poosje bleven staan op de berg, zagen ze de lichten van de stad verschijnen en aanschouwden ze de schoonheid van de verlichte tempel. Daar, in het zachte schijnsel van de volle maan, zetten Jezus en de twaalf zich neer. De Meester sprak met hen en even later stelde Natanael de vraag: ‘Zeg ons, Meester, hoe wij zullen weten wanneer deze dingen zullen gaan gebeuren?’

1. De verwoesting van Jeruzalem

(1912.3) 176:1.1 Op deze vraag van Natanael antwoordde Jezus het volgende: ‘Goed, ik zal jullie vertellen over de periode dat dit volk de beker van zijn ongerechtigheid tot de rand zal hebben gevuld, wanneer de gerechte straf snel op deze stad onzer vaderen zal neerkomen. Ik ga jullie nu weldra verlaten, ik ga naar de Vader. Pas op dat niemand jullie misleidt nadat ik van jullie ben heengegaan, want er zullen velen als verlossers komen en velen op een dwaalspoor brengen. Wanneer jullie hoort over oorlogen en geruchten van oorlogen, weest dan niet verontrust, want ofschoon al deze dingen zullen gebeuren, is het einde van Jeruzalem nog niet nabij. Laat jullie niet verontrusten door hongersnoden of aardbevingen, en evenmin moeten jullie bezorgd zijn wanneer jullie aan de wereldlijke overheden worden overgeleverd en terwille van het evangelie vervolgd worden. Jullie zult uit de synagoge geworpen worden en gevangen worden gezet om mijnentwil, en sommigen van jullie zullen gedood worden. Wanneer jullie voor landvoogden en heersers geleid zult worden, zal het zijn om getuigenis te geven van jullie geloof en om jullie standvastigheid in het evangelie van het koninkrijk te laten blijken. En wanneer jullie voor de rechter staan, weest dan niet van te voren bezorgd over wat je moet zeggen, want de geest zal jullie in datzelfde uur leren wat je je tegenstanders moet antwoorden. In die dagen van barensnood zal jullie eigen volk, onder leiding van hen die de Zoon des Mensen hebben verworpen, jullie overleveren om gevangen gezet of ter dood gebracht te worden. Een tijdlang worden jullie wellicht om mijnentwil door allen gehaat, maar zelfs gedurende deze vervolgingen zal ik jullie niet verlaten: mijn geest zal jullie niet alleen laten. Wees geduldig! Twijfel niet dat dit evangelie van het koninkrijk over alle vijanden zal zegevieren en uiteindelijk aan alle volkeren zal worden verkondigd.’

(1913.1) 176:1.2 Jezus zweeg een ogenblik terwijl hij neerkeek op de stad. De Meester besefte dat het afwijzen van het geestelijke begrip van de Messias, de vastbeslotenheid om blindelings vast te houden aan het materiële karakter van de zending van de verwachte bevrijder, de Joden zeer spoedig in rechtstreeks conflict met de machtige Romeinse legers zou brengen, en dat zo’n strijd slechts kon uitlopen op de definitieve en volledige omverwerping van de Joodse natie. Toen zijn volk zijn geestelijke zelfschenking verwierp en weigerde het licht des hemels te ontvangen toen dit hen zo vol van genade bescheen, bezegelde het daarmee zijn ondergang als een onafhankelijk volk met een speciale geestelijke opdracht op aarde. Zelfs de Joodse leiders erkenden later dat het deze wereldlijke idee van de Messias was, die rechtstreeks tot de woelingen leidde waardoor uiteindelijk hun ondergang werd teweeggebracht.

(1913.2) 176:1.3 Aangezien Jeruzalem de bakermat van de prille evangeliebeweging zou worden, wilde Jezus niet dat haar leraren en predikers zouden omkomen bij de verschrikkelijke nederlaag van het Joodse volk in verband met de verwoesting van Jeruzalem, vandaar dat hij deze aanwijzingen aan zijn volgelingen gaf. Jezus was zeer bezorgd over de mogelijkheid dat sommigen van zijn discipelen verwikkeld zouden raken in de oproeren die zich spoedig zouden voordoen, en zo zouden omkomen bij de val van Jeruzalem.

(1913.3) 176:1.4 Toen vroeg Andreas: ‘Maar Meester, als de Heilige Stad en de tempel verwoest zullen worden en gij niet hier zijt om ons leiding te geven, wanneer moeten wij dan Jeruzalem verlaten?’ Jezus antwoordde: ‘Jullie kunnen in de stad blijven wanneer ik zal zijn vertrokken, zelfs gedurende deze zware tijden en bittere vervolging, maar wanneer jullie ten slotte Jeruzalem omringd zien door de Romeinse legers na de opstand der valse profeten, dan zullen jullie weten dat haar verwoesting nabij is; dan moeten jullie naar de bergen vluchten. Laat niemand die in de stad of in de omgeving is, dralen om nog iets te redden en laat niemand die buiten de stad is het wagen daar binnen te gaan. Er zal grote ellende zijn, want dit zullen de dagen zijn van de wraak der heidenen. En nadat jullie de stad zult hebben ontvlucht, zal dit ongehoorzame volk geveld worden door de scherpte des zwaards en gevankelijk worden weggevoerd naar alle naties; en zo zal Jeruzalem door de heidenen worden vertreden. Ondertussen waarschuw ik jullie, laat je niet misleiden. Als de een of ander tot jullie komt en zegt, “Zie, hier is de Verlosser”, of `Zie, hij is daar”, geloof het niet, want vele valse leraren zullen opstaan en velen zullen op een dwaalspoor worden gebracht; maar jullie moeten je niet laten bedriegen, want ik heb jullie dit alles van te voren voorzegd.’

(1913.4) 176:1.5 De apostelen zaten lange tijd zwijgend in het maanlicht terwijl deze ontstellende voorspellingen van de Meester tot hun verbijsterde bewustzijn doordrongen. En omdat praktisch de gehele groep gelovigen en discipelen gehoor gaf aan de waarschuwing van dit ogenblik, en uit Jeruzalem wegvluchtte toen de eerste Romeinse troepen verschenen, kon zij een veilig toevluchtsoord vinden in het noordelijk gelegen Pella.

(1913.5) 176:1.6 Zelfs na deze uitdrukkelijke waarschuwing legden toch vele volgelingen van Jezus zijn voorspellingen uit als zouden deze betrekking hebben op de veranderingen die vanzelfsprekend in Jeruzalem zouden plaatsvinden, wanneer de wederkomst van de Messias zou uitlopen op de oprichting van het Nieuwe Jeruzalem en in de uitbreiding van de stad, zodat zij de hoofdstad van de wereld zou worden. Deze Joden hielden nu eenmaal vast aan hun overtuiging dat de verwoesting van de tempel verbonden was aan ‘het einde der wereld.’ Zij geloofden dat dit Nieuwe Jeruzalem geheel Palestina zou beslaan; dat het einde der wereld direct daarna gevolgd zou worden door de verschijning van ‘de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde.’ Dus was het ook niet zo vreemd dat Petrus zei: ‘Meester, wij weten dat al deze dingen zullen verdwijnen wanneer de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde verschijnen, maar hoe zullen wij weten wanneer gij terug zult komen om dit alles tot stand te brengen?’

(1914.1) 176:1.7 Toen Jezus dit hoorde, dacht hij enige tijd na en zei toen: ‘Jullie ziet het steeds weer verkeerd, omdat jullie voortdurend tracht het nieuwe onderricht te laten aansluiten bij het oude; jullie zijt vastbesloten om al mijn onderricht verkeerd op te vatten; jullie houdt maar vol het evangelie te interpreteren in overeenstemming met wat jullie altijd hebt geloofd. Niettemin zal ik trachten jullie klaarheid te verschaffen.’

2. De tweede komst van de Meester

(1914.2) 176:2.1 Bij verscheidene gelegenheden had Jezus uitspraken gedaan die zijn toehoorders ertoe brachten te concluderen dat hij, ofschoon hij voornemens was weldra deze wereld te verlaten, zeer zeker terug zou komen om het werk van het hemelse koninkrijk te voltooien. Toen de overtuiging bij zijn volgelingen sterker werd dat hij hen zou gaan verlaten, en ook nadat hij deze wereld verlaten had, sprak het niet meer dan vanzelf dat alle gelovigen zich vastklampten aan deze beloften dat hij zou terugkomen. De leerstelling van de tweede komst van Christus werd zo reeds vroeg in het onderricht van de Christenen opgenomen, en vrijwel iedere volgende generatie van discipelen heeft deze waarheid oprecht en vurig geloofd en vol vertrouwen uitgezien naar zijn wederkomst, die eens plaats zou vinden.

(1914.3) 176:2.2 Indien deze eerste discipelen en de apostelen dan al afscheid moesten nemen van hun Meester en Leraar, klemden zij zich des te meer vast aan de belofte dat hij terug zou komen, en al heel snel verbonden zij de voorzegde verwoesting van Jeruzalem met deze beloofde tweede komst. En zij bleven zijn woorden op deze wijze opvatten, niettegenstaande het feit dat de Meester deze gehele avond van instructie op de Olijfberg zich speciaal moeite gaf om een dergelijke misvatting te voorkomen.

(1914.4) 176:2.3 Nader ingaande op de vraag van Petrus, zei Jezus: ‘Waarom zien jullie er nog steeds naar uit dat de Zoon des Mensen op de troon van David zal zitten en waarom verwachten jullie dat de aardse dromen der Joden vervuld zullen worden? Heb ik jullie niet al deze jaren gezegd dat mijn koninkrijk niet van deze wereld is? De dingen waarop jullie nu neerkijken komen ten einde, maar dit zal een nieuw begin zijn van waaruit het evangelie van het koninkrijk tot de gehele wereld zal uitgaan en dit heil zich zal verbreiden naar alle volkeren. En wanneer het koninkrijk zijn volle vrucht zal hebben opgeleverd, kunnen jullie er zeker van zijn dat de Vader in de hemel niet zal nalaten tot jullie te komen met een uitgebreidere openbaring van waarheid en een hogere demonstratie van rechtvaardigheid, zoals hij ook reeds eerder hem op deze wereld plaatste, die de vorst der duisternis is geworden, en daarna Adam, die gevolgd werd door Melchizedek, en in deze dagen de Zoon des Mensen. Zo zal mijn Vader voortgaan zijn barmhartigheid te tonen en zijn liefde te doen blijken, zelfs aan deze duistere en boze wereld. Evenzo zal ik, nadat mijn Vader mij met alle macht en gezag heeft bekleed, voortgaan jullie lotgevallen te volgen en jullie leiden in de aangelegenheden van het koninkrijk, door de tegenwoordigheid van mijn geest die binnenkort op alle vlees zal worden uitgestort. Al zal ik aldus in de geest bij jullie zijn, beloof ik ook dat ik te zijner tijd zal terugkeren naar deze wereld, waar ik dit leven in het vlees geleefd heb en de ervaring heb doorgemaakt tegelijkertijd God aan de mens te openbaren en de mens tot God te leiden. Zeer spoedig moet ik jullie verlaten en het werk weer ter hand nemen dat mijn Vader mij heeft toevertrouwd, maar houdt goede moed, want eens zal ik terugkomen. Intussen zal mijn Geest van de Waarheid van een universum jullie bemoedigen en de weg wijzen.

(1915.1) 176:2.4 ‘Jullie zien mij nu in zwakheid en in het vlees, maar wanneer ik terugkom, zal het zijn met macht en in de geest. Het oog van het vlees aanschouwt de Zoon des Mensen in het vlees, maar alleen het oog van de geest zal de Zoon des Mensen aanschouwen wanneer hij verheerlijkt zal zijn door de Vader en op aarde verschijnt in zijn eigen naam.

(1915.2) 176:2.5 ‘Doch de tijden van het opnieuw verschijnen van de Zoon des Mensen zijn slechts in de raadsvergaderingen van het Paradijs bekend: zelfs de engelen des hemels weten niet wanneer dit zal geschieden. Jullie dient echter te begrijpen dat wanneer dit evangelie van het koninkrijk aan de gehele wereld verkondigd zal zijn tot heil van alle volken, en wanneer de volheid van het tijdperk zal zijn aangebroken, de Vader jullie iemand anders zal schenken die hier een nieuw tijdperk zal inluiden, of anders zal de Zoon des Mensen terugkomen om het tijdperk te oordelen.

(1915.3) 176:2.6 ‘Wat nu de zware tijd van Jeruzalem betreft, waarover ik met jullie gesproken heb, zelfs de huidige generatie zal niet heengaan voordat mijn woorden vervuld worden; maar aangaande de tijden van de wederkomst van de Zoon des Mensen mag niemand, noch in de hemel, noch op aarde, zich aanmatigen een uitspraak te doen. Maar jullie moet verstandig zijn ten aanzien van het rijpen van een tijdperk; jullie dient alert te zijn zodat je de tekenen des tijds onderkent. Jullie weet dat wanneer de vijgeboom zijn jonge takken vertoont en zijn bladeren te voorschijn brengt, de zomer voor de deur staat. Zo ook moeten jullie weten dat, wanneer de wereld de lange winter van materialistische gezindheid achter de rug heeft en jullie de komst van de geestelijke lente van een nieuwe dispensatie bespeurt, de zomer van een nieuw bezoek nadert.

(1915.4) 176:2.7 ‘Maar wat is de betekenis van dit onderricht dat te maken heeft met de komst van de Zonen van God? Zien jullie niet dat, wanneer een ieder van jullie geroepen wordt zijn levensstrijd op te geven en door de poort van de dood te gaan, je in de onmiddellijke tegenwoordigheid van het oordeel staat, en geconfronteerd wordt met de feiten van een nieuwe dispensatie van dienstbaarheid in het eeuwige plan van de oneindige Vader? Wat de hele wereld aan het eind van een tijdperk onder ogen moet zien als een letterlijk feit, zal ieder van jullie zeer zeker als een persoonlijke ervaring onder ogen moeten zien wanneer jullie het einde van je natuurlijke leven bereikt en daardoor verder gaat om geconfronteerd te worden met de voorwaarden en eisen die inherent zijn aan de volgende openbaring in de eeuwige voortgang van het koninkrijk van de Vader.’

(1915.5) 176:2.8 Van alle toespraken die de Meester tot zijn apostelen hield, was er geen die in hun herinnering zo verward raakte als deze, die op deze dinsdagavond op de Olijfberg werd gehouden en betrekking had op het tweevoudige onderwerp van de verwoesting van Jeruzalem en van zijn eigen tweede komst. Er bestond dan ook maar weinig overeenstemming tussen de later geschreven verslagen die gebaseerd waren op herinneringen aan wat de Meester bij deze bijzondere gelegenheid had gezegd. Een gevolg daarvan was dat, toen de verslagen niets vermeldden over veel van hetgeen die dinsdagavond gezegd was, er vele overleveringen ontstonden; en heel in het begin van de tweede eeuw werd een Joodse apocalyptische tekst over de Messias, geschreven door een zekere Selta die verbonden was aan het hof van keizer Caligula, in zijn geheel overgenomen in het evangelie van Matteüs, en later (gedeeltelijk) toegevoegd aan de verslagen van Marcus en Lucas. In dit geschrift van Selta nu verscheen de gelijkenis van de tien maagden. Geen ander deel van het geschreven evangelie is ooit zo verwarrend verkeerd uitgelegd als het onderricht van deze avond. De apostel Johannes echter, is nooit zo verward geraakt.

(1915.6) 176:2.9 Terwijl deze dertien mannen hun tocht naar het kamp hervatten, waren zij sprakeloos en in grote emotionele spanning. Judas had zijn beslissing om zijn metgezellen te verlaten nu definitief genomen. Het was al laat toen David Zebedeüs, Johannes Marcus, en een aantal van de voornaamste discipelen Jezus en de twaalf in het nieuwe kamp verwelkomden, maar de apostelen wilden niet gaan slapen: zij wilden meer horen over de verwoesting van Jeruzalem, het vertrek van de Meester en het einde van de wereld.

3. De latere bespreking in het kamp

(1916.1) 176:3.1 Toen ze zich rond het kampvuur verzamelden, met ongeveer twintig man, vroeg Tomas: ‘Nu u terug zult komen om het werk voor het koninkrijk af te maken, zou ik u willen vragen wat onze houding moet zijn terwijl u weg bent om de zaken van de Vader te behartigen?’ Jezus keek hen rondom aan bij het licht van het vuur en antwoordde:

(1916.2) 176:3.2 ‘Zelfs jij, Tomas, begrijpt niet wat ik heb gezegd. Heb ik jullie niet al deze tijd geleerd dat jullie band met het koninkrijk geestelijk en individueel is, geheel een zaak van eigen persoonlijke ervaring in de geest door de geloofsrealisatie dat je een zoon van God bent? Wat moet ik nog meer zeggen? De val van naties, het ineenstorten van wereldrijken, de ondergang van de ongelovige Joden, het einde van een tijdperk, ja zelfs het einde van de wereld, wat raken deze zaken een mens die dit evangelie gelooft en die zijn leven geborgen heeft in de zekerheid van het eeuwige koninkrijk? Jullie die God kent en het evangelie gelooft, hebt reeds de garanties van het eeuwige leven ontvangen. Aangezien jullie leven in de geest is geleid en voor de Vader, is er niets waarover jullie ernstig bezorgd behoeft te zijn. Bouwers van het koninkrijk, de erkende burgers van de hemelse werelden, moeten zich niet laten verontrusten door wereldlijke beroeringen of ontdaan raken door omwentelingen op aarde. Wat deert het jullie die dit evangelie van het koninkrijk gelooft, wanneer naties ten onder gaan, het tijdperk eindigt, of alle zichtbare dingen ineenstorten, aangezien jullie weet dat je leven het geschenk van de Zoon is, en dat het eeuwig veilig is in de Vader? Nu jullie het tijdelijke leven in geloof hebt geleefd en de vruchten van de geest hebt voortgebracht als de rechtvaardigheid van liefdevol dienen van jullie medemens, kunnen jullie met vertrouwen uitzien naar de volgende stap in de eeuwige loopbaan, met hetzelfde geloof in je overleving dat jullie door je eerste, aardse avontuur in het zoonschap van God heeft heengedragen.

(1916.3) 176:3.3 ‘Elke generatie gelovigen moet, met het oog op de mogelijke wederkomst van de Zoon des Mensen doorgaan met zijn werk, precies zoals iedere individuele gelovige zijn werk in het leven voortzet met het oog op de onvermijdelijke natuurlijke dood die hem altijd boven het hoofd hangt. Wanneer je jezelf eenmaal door geloof bevestigd hebt als zoon van God, doet niets anders er meer toe wat de zekerheid van je overleving betreft. Maar vergis je niet! Dit overlevingsgeloof is een levend geloof, en het manifesteert steeds meer de vruchten van de goddelijke geest die het menselijke hart er eerst toe heeft geïnspireerd. Het feit dat jullie eens het zoonschap in het hemels koninkrijk hebt aanvaard, zal je niet baten wanneer de waarheden die te maken hebben met het progressieve dragen van geestelijke vruchten door de zonen van God in het vlees, steeds welbewust worden afgewezen. Jullie die met mij geweest zijt in de zaken van mijn Vader op aarde, kunt zelfs nu nog het koninkrijk in de steek laten, wanneer je merkt dat je niet houdt van de wijze waarop de Vader de mensheid dient.

(1916.4) 176:3.4 ‘Luister naar mij als individuele gelovigen en als een generatie van gelovigen, terwijl ik jullie een gelijkenis vertel: Er was eens een zeker groot man die, voordat hij een lange reis naar het buitenland ging maken, al zijn vertrouwde dienaren bij zich riep en hun al zijn bezittingen in beheer gaf. Aan de een gaf hij vijf talenten, aan een ander twee, en aan nog een ander één. Zo vertrouwde hij aan elk van de groep eerzame rentmeesters een deel van zijn goederen toe al naargelang hun verschillende bekwaamheden, en daarna ging hij op reis. Toen hun heer vertrokken was, begonnen zijn dienaren aan hun taak om winst te maken met het kapitaal dat hun was toevertrouwd. De man die vijf talenten ontvangen had, begon daar onmiddellijk handel mee te drijven en maakte al heel spoedig een winst van nog eens vijf talenten. Evenzo had degene die twee talenten had ontvangen, er spoedig twee bijverdiend. En zo maakten al deze dienaren winst voor hun meester, behalve hij die slechts één talent had ontvangen. Deze trok zich terug en groef een gat in de grond waarin hij het geld van zijn meester verborg. Kort daarop kwam de heer van die dienaren onverwachts terug en riep zijn rentmeesters op om af te rekenen. Toen allen voor hun meester verschenen waren, kwam degene die de vijf talenten had ontvangen naar voren met het hem toevertrouwde geld en bracht nog eens vijf talenten mee, zeggende: “Heer, gij hebt mij vijf talenten gegeven om te beleggen en ik ben blij u nog eens vijf talenten als mijn winst aan te kunnen bieden.” Hierop zei zijn meester tot hem: “Goed gedaan, goede en trouwe dienaar, je bent trouw geweest over slechts weinige zaken; ik zal je nu tot rentmeester maken over vele; ga terstond in tot de vreugde van je heer.” Daarop kwam degene die de twee talenten had ontvangen naar voren en zei: “Heer, gij hebt mij twee talenten in handen gegeven; zie, ik heb er nog twee bij verdiend.” En zijn heer sprak tot hem: “Goed gedaan, goede en trouwe rentmeester; jij bent ook getrouw geweest over slechts weinig, en ik zal je nu over veel stellen; ga in tot de vreugde van je heer.” Toen kwam degene die maar één talent had ontvangen om af te rekenen. Deze dienaar kwam naar voren en zei: “Heer, ik kende u en realiseerde mij dat gij een lastig man zijt, die verwacht winst te maken waarvoor ge niet persoonlijk gewerkt hebt; daarom was ik bang iets van hetgeen mij was toevertrouwd op het spel te zetten. Ik heb uw talent veilig in de grond verborgen, hier is het; nu hebt ge wat u toebehoort.” Maar zijn heer antwoordde: “Jij bent een trage en luie rentmeester. Met je eigen woorden beken je dat je wist dat ik rekenschap van je zou eisen en een redelijke winst, zoals je arbeidzame mededienaren mij vandaag hebben gegeven. Omdat je dit wist, had je op zijn minst mijn geld in handen van de bankiers moeten geven, zodat ik bij mijn terugkeer het mijne met rente terug ontvangen zou hebben.” Hierop zei deze heer tot de hoofdrentmeester: “Neem dit ene talent af van deze onnutte dienaar en geef het aan hem die de tien talenten heeft.”

(1917.1) 176:3.5 ‘Aan een ieder die heeft, zal meer gegeven worden en hij zal overvloed hebben; maar van hem die niet heeft, zal zelfs dat wat hij nog wel heeft, ontnomen worden. Je kunt niet stilstaan in de zaken van het eeuwige koninkrijk. Mijn Vader eist van al zijn kinderen dat zij toenemen in genade en kennis van waarheid. Jullie die deze waarheden kennen, moeten in steeds grotere mate de vruchten van de geest voortbrengen en steeds meer toewijding aan de dag leggen aan het onzelfzuchtig dienen van je mededienaren. Houdt in gedachten dat voor zover jullie één van de minste van mijn broeders bijstaat, je deze dienst aan mij hebben betoond.

(1917.2) 176:3.6 ‘En zo moeten jullie van nu af aan het werk voor de Vader ter hand nemen, nu en voortaan, zelfs in eeuwigheid. Ga door met het werk totdat ik kom. Doet in alle getrouwheid hetgeen jullie is toevertrouwd, en daardoor zullen jullie gereed zijn voor de oproep tot rekenschap bij de dood. Wanneer jullie zo geleefd hebt voor de heerlijkheid van de Vader en voor de voldoening van de Zoon, zullen jullie met vreugde en buitengewoon groot genoegen ingaan tot de eeuwige dienst in het eeuwigdurende koninkrijk.’

(1917.3) 176:3.7 De waarheid is levend; de Geest van Waarheid leidt de kinderen des lichts steeds binnen in nieuwe gebieden van geestelijke werkelijkheid en goddelijk dienstbetoon. De waarheid is u niet gegeven om deze te laten stollen in vaste, veilige en geëerbiedigde vormen. Uw openbaring van waarheid moet zich zo verdiepen door het passeren van uw persoonlijke ervaring, dat zich nieuwe schoonheid en daadwerkelijke geestelijke winsten zullen onthullen aan allen die uw geestelijke vruchten zien, en ten gevolge daarvan ertoe komen de Vader die in de hemel is te verheerlijken. Alleen de trouwe dienaren die aldus groeien in de kennis der waarheid, en daardoor het vermogen ontwikkelen tot goddelijke waardering van geestelijke werkelijkheden, kunnen ooit hopen ‘volledig de vreugde van hun Heer binnen te gaan’. Welk een droevige aanblik leveren achtereenvolgende generaties van diegenen die beweren volgelingen van Jezus te zijn, wanneer ze ten aanzien van hun rentmeesterschap over de goddelijke waarheid zeggen: ‘Zie, Meester, hier is de waarheid die u ons honderd of duizend jaar geleden hebt toevertrouwd. Wij hebben er niets van verloren; wij hebben getrouw alles wat gij ons gegeven hebt, in stand gehouden; wij hebben niet toegestaan dat er veranderingen aangebracht werden in hetgeen gij ons geleerd hebt; hier is de waarheid die gij ons gegeven hebt.’ Maar zulk een pleitrede voor geestelijke traagheid zal de rentmeester van de waarheid die geen vruchten heeft voortgebracht, niet rechtvaardigen ten overstaan van de Meester. Overeenkomstig de waarheid die u in handen is gegeven, zal de Meester der waarheid u rekenschap vragen.

(1918.1) 176:3.8 In de volgende wereld zal u gevraagd worden rekenschap af te leggen van uw gaven en uw rentmeesterschap in deze wereld. Of uw aangeboren talenten nu weinige zijn of vele, ge komt voor het feit van een rechtvaardige en barmhartige afrekening te staan. Wanneer de gaven alleen voor het najagen van zelfzuchtige doeleinden zijn gebruikt en geen aandacht is geschonken aan de hogere plicht om een grotere oogst aan vruchten van de geest voort te brengen, zoals deze aan de dag treden in een zich immer uitbreidend dienen van de mens en verering van God, dan moeten zulke zelfzuchtige rentmeesters de consequenties aanvaarden van hun welbewuste keuze.

(1918.2) 176:3.9 En hoezeer handelde deze ontrouwe dienaar met het ene talent niet als alle zelfzuchtige mensen, in de zin dat hij zijn luiheid rechtstreeks aan zijn heer weet. Hoe sterk is de mens niet geneigd om wanneer hij geconfronteerd wordt met mislukking door eigen schuld, de blaam op anderen te werpen, vaak op hen die dit het minst verdienen!

(1918.3) 176:3.10 Die avond, toen ze zich ter ruste begaven, zei Jezus nog: ‘Vrijelijk hebben jullie ontvangen, daarom moeten jullie ook vrijelijk van de waarheid des hemels uitdelen, en in het geven zal deze waarheid zich vermenigvuldigen en zal zij steeds helderder het licht van de reddende genade laten schijnen, juist terwijl jullie ermee werken.’

4. De terugkomst van Michael

(1918.4) 176:4.1 Niets van alle onderricht van de Meester is zo verkeerd begrepen als zijn belofte eens in eigen persoon naar deze wereld terug te keren. Het is niet verwonderlijk dat Michael erin geïnteresseerd is te eniger tijd terug te komen naar de planeet waar hij zijn zevende en laatste zelfschenking heeft doorgemaakt als een sterfelijk mens van dit gebied. Het is niet meer dan natuurlijk om te geloven dat Jezus van Nazaret, die nu soeverein is over een ontzaglijk groot universum, er belangstelling voor zou hebben om niet slechts éénmaal, doch zelfs vele malen, terug te keren naar de wereld waarop hij zulk een uniek leven heeft geleid en waar hij ten slotte die onbeperkte macht en gezag over een universum verwierf, waarmee de Vader hem heeft bekleed. Urantia zal voor eeuwig een van de geboortewerelden zijn van Michael toen hij de soevereiniteit over zijn universum verwierf.

(1918.5) 176:4.2 Jezus heeft bij talrijke gelegenheden en tegenover vele personen inderdaad verklaard dat hij voornemens was naar deze wereld terug te keren. Toen zijn volgelingen begonnen te beseffen dat hun Meester niet als een wereldlijk bevrijder zou optreden, en toen zij luisterden naar zijn voorspellingen van de ondergang van Jeruzalem en de val van de Joodse natie, begonnen ze geheel vanzelfsprekend zijn beloofde wederkomst te associëren met deze katastrofale gebeurtenissen. Maar toen de Romeinse legers de muren van Jeruzalem neerhaalden, de tempel verwoestten en de Joden van Judea verstrooiden, en de Meester zich nog steeds niet in macht en heerlijkheid openbaarde, begonnen zijn volgelingen het geloof te formuleren dat uiteindelijk de tweede komst van Christus verbond met het einde van het tijdperk, ja zelfs met het einde der wereld.

(1918.6) 176:4.3 Jezus beloofde twee dingen te doen nadat hij opgevaren zou zijn naar de Vader, en nadat alle macht in hemel en op aarde in zijn handen gegeven zou zijn. Hij beloofde ten eerste om in zijn plaats een andere leraar tot de wereld te zenden, de Geest van Waarheid; dit deed hij op de dag van Pinksteren. Ten tweede beloofde hij zijn volgelingen zeer stellig dat hij eens persoonlijk naar deze wereld zou terugkomen. Maar hij zei niet hoe, waar, of wanneer hij deze planeet, waar hij zijn zelfschenking in het vlees had ervaren, opnieuw zou bezoeken. Bij één gelegenheid liet hij doorschemeren dat, terwijl het oog van het vlees hem had aanschouwd toen hij hier in het vlees leefde, hij bij zijn terugkeer (tenminste bij één van zijn mogelijke bezoeken) slechts door het oog van het geestelijk geloof zou worden onderscheiden.

(1919.1) 176:4.4 Velen van ons zijn geneigd te geloven dat Jezus vele malen op Urantia zal terugkomen gedurende de komende eeuwen. Wij hebben wel niet zijn specifieke belofte dat hij deze meervoudige bezoeken zal brengen, maar het lijkt zeer waarschijnlijk dat hij, die immers als een van zijn universum-titels die van Planetaire Vorst van Urantia draagt, vele malen de wereld zal bezoeken door wier verovering hem zulk een uitzonderlijke titel werd verleend.

(1919.2) 176:4.5 Wij geloven zeer beslist dat Michael opnieuw in eigen persoon naar Urantia zal komen, maar wij hebben niet het minste idee wanneer of op welke wijze hij zal verkiezen te komen. Zal het tijdstip van zijn tweede komst op aarde zo worden gekozen, dat het samenvalt met de eindbeoordeling van het huidige tijdperk en al of niet gepaard gaan met de verschijning van een Magistraat-Zoon die daarmee is verbonden? Zal hij komen in verband met de beëindiging van een volgend tijdperk op Urantia? Zal hij onaangekondigd komen en als een op zichzelf staande gebeurtenis? Wij weten het niet. Wij zijn slechts van één ding zeker, namelijk dat, wanneer hij metterdaad terugkomt, het aannemelijk is dat de gehele wereld dit zal weten, want hij moet komen als de allerhoogste regeerder van een universum, en niet als het onbekende kindje van Betlehem. Maar indien elk oog hem zal kunnen zien, en indien zijn aanwezigheid slechts met geestelijke ogen kan worden waargenomen, dan zal zijn komst nog lang op zich laten wachten.

(1919.3) 176:4.6 Ge zult er daarom goed aan doen de persoonlijke terugkomst van de Meester naar de aarde geheel los te zien van alle vastgestelde gebeurtenissen of vast bepaalde tijdvakken. Zeker zijn wij slechts van één ding: hij heeft beloofd terug te komen. Wij hebben geen idee wanneer hij die belofte zal inlossen of in welk verband dit zal gebeuren. Voorzover wij weten, kan hij ieder moment op aarde verschijnen, en het kan ook zijn dat hij pas komt nadat er vele tijdperken zijn voorbijgegaan en volgens de daarvoor geldende regels zijn beoordeeld door de met hem samenwerkende Zonen van het Paradijs-korps.

(1919.4) 176:4.7 De tweede advent van Michael op aarde is een gebeurtenis met een geweldige gevoelswaarde, zowel voor de middenwezens als voor de mensen; voor het overige is deze niet van onmiddellijk belang voor middenwezens, en voor de mensen van niet meer praktische betekenis dan het gewone gebeuren van de natuurlijke dood, waardoor de sterfelijke mens zo plotseling in de onmiddellijke greep geraakt van die opeenvolging van universum-gebeurtenissen die hem rechtstreeks in de tegenwoordigheid brengt van deze zelfde Jezus, de soevereine regeerder over ons universum. De kinderen des lichts zijn allen voorbestemd hem te zien, en het komt er niet zoveel op aan of wij tot hem gaan, of dat hij toevallig eerst tot ons zal komen. Weest daarom immer gereed hem te verwelkomen op aarde, zoals hij gereed staat u te verwelkomen in de hemel. Wij zien met vertrouwen uit naar zijn glorierijke verschijning, wij verwachten zelfs dat hij herhaalde malen zal komen, maar wij zijn er volkomen onkundig van hoe, wanneer, en in welk verband wij zijn verschijnen mogen verwachten.


Información de fondo

AfdrukkenAfdrukken

Urantia Foundation, 533 W. Diversey Parkway, Chicago, IL 60614, USA
Telefoon: +1-773-525-3319
© Urantia Foundation. Alle rechten voorbehouden