Verhandeling 163 - De bevestiging van de Zeventig in Magadan

   
   Red Jesus Text: Aan | Uit    Paragraaf Nummers: Aan | Uit
AfdrukkenAfdrukkenSend by emailSend by email

Het Urantia Boek

Verhandeling 163

De bevestiging van de Zeventig in Magadan


(1800.1) 163:0.1 ENKELE dagen nadat Jezus en de twaalf uit Jeruzalem in Magadan waren teruggekeerd, kwamen Abner en een groep van ongeveer vijftig discipelen uit Betlehem aan. In het Magadankamp waren op dit moment ook het korps der evangelisten, het vrouwenkorps, en ongeveer honderdvijftig trouwe, beproefde discipelen uit alle delen van Palestina bijeengekomen. Na enkele dagen van onderlinge gesprekken, tijdens welke ook het kamp gereorganiseerd werd, begonnen Jezus en de twaalf met een grondige opleidingscursus voor dit speciale gezelschap van gelovigen, en uit deze goed opgeleide en ervaren groep discipelen koos de Meester vervolgens de zeventig leraren die hij uitzond om het evangelie van het koninkrijk te verkondigen. Dit stelselmatig onderricht begon op vrijdag 4 november, en ging door tot de Sabbat van 19 november.

(1800.2) 163:0.2 Jezus sprak deze groep iedere morgen toe. Petrus onderwees methoden voor het prediken in het openbaar; Natanael onderwees hen in de kunst van het geven van onderricht; Tomas legde uit hoe ze vragen moesten beantwoorden, terwijl Matteüs aanwijzingen gaf over het organiseren van de financiën van de groep. De andere apostelen namen overeenkomstig hun speciale ervaring en natuurlijke talenten ook deel aan deze opleiding.

1. De bevestiging van de zeventig

(1800.3) 163:1.1 De zeventig werden door Jezus op de Sabbatmiddag van 19 november in het Magadankamp bevestigd en Abner werd aangesteld tot hoofd van deze predikers en leraren van het evangelie. Dit korps van zeventig bestond uit Abner en tien van de voormalige apostelen van Johannes, eenenvijftig van de vroegere evangelisten, en acht andere discipelen die zich hadden onderscheiden in de dienst van het koninkrijk.

(1800.4) 163:1.2 Omstreeks twee uur in de middag van deze Sabbat, terwijl het zo nu en dan stortregende, kwam aan de oever van het meer van Galilea een gezelschap gelovigen bijeen, dat door de komst van David was uitgebreid met het grootste deel van zijn koerierskorps, nu meer dan vierhonderd personen groot, teneinde de bevestiging van de zeventig bij te wonen.

(1800.5) 163:1.3 Vóór Jezus de zeventig de handen oplegde om hen de speciale functie te geven van boodschappers van het evangelie, zei hij in zijn toespraak tot hen: ‘De oogst is wel rijk, maar de arbeiders zijn gering in aantal; daarom spoor ik u allen aan om te bidden dat de Heer van de oogst nog meer arbeiders zal zenden om voor hem te oogsten. Ik sta op het punt u te roepen als boodschappers van het koninkrijk; ik zal u weldra naar Joden en niet-Joden uitzenden als lammeren te midden van wolven. Ik draag u op om, wanneer gij aan uw tochten begint, geen beurs noch extra kleding mee te nemen, want ge gaat op deze eerste zendingstocht maar voor korte tijd op reis. Begroet niemand onderweg, bepaal u slechts tot uw werk. Wanneer ge ergens in een huis wilt logeren, zeg dan eerst: Vrede zij dit huis. Indien zij die daar wonen vredelievend zijn, zult ge daar blijven; indien niet, ga dan heen. En als ge dit huis gekozen hebt, blijf daar dan zolang ge in die stad blijft, en eet en drink wat u wordt voorgezet. En doe dit omdat de arbeider zijn levensonderhoud waard is. Verander niet van huis omdat u misschien een beter onderkomen wordt aangeboden. Bedenk wel dat wanneer ge erop uittrekt om vrede op aarde te verkondigen en goede wil onder de mensen, ge te maken zult krijgen met bittere vijanden die zichzelf hebben misleid; wees daarom zo wijs als slangen, maar ook zo onschuldig als duiven.

(1801.1) 163:1.4 ‘En predik overal waar ge heen gaat: “Het koninkrijk des hemels is nabij,” en help allen die ziek zijn naar ziel of lichaam. Vrijelijk hebt ge van het goede van het koninkrijk ontvangen, geef ook vrijelijk. Indien de mensen van een stad u ontvangen en geloven, zullen zij rijkelijk ingang vinden in het koninkrijk van de Vader; maar wanneer de mensen van een stad weigeren dit evangelie te aanvaarden, moet ge terwijl ge uit die ongelovige gemeenschap vertrekt, toch uw boodschap verkondigen en tegen hen die uw leer verwerpen zelfs nog bij uw vertrek zeggen: “Niettegenstaande gij de waarheid verwerpt, blijft het feit bestaan dat het koninkrijk Gods u nabij gekomen is.” Hij die u hoort, hoort mij. En hij die mij hoort, hoort Hem die mij gezonden heeft. Hij die uw evangelieboodschap verwerpt, verwerpt mij. En hij die mij verwerpt, verwerpt Hem die mij gezonden heeft.’

(1801.2) 163:1.5 Nadat Jezus aldus tot de zeventig gesproken had, begon hij bij Abner, en legde, toen zij in een kring om hem heen waren geknield, zijn handen op het hoofd van een ieder van hen.

(1801.3) 163:1.6 De volgende morgen vroeg zond Abner de zeventig boodschappers uit naar alle steden in Galilea, Samaria en Judea. Deze vijfendertig paren trokken ongeveer zes weken lang rond, predikend en lerend, en zij keerden op vrijdag, 30 december, allen terug naar het nieuwe kamp bij Pella, in Perea.

2. De rijke jongeman en anderen

(1801.4) 163:2.1 Meer dan vijftig discipelen, die bevestigd wilden worden en lid wilden worden van de zeventig, werden afgewezen door het comité dat door Jezus was gevormd om deze kandidaten uit te kiezen. Dit comité bestond uit Andreas, Abner en het waarnemend hoofd van het korps der evangelisten. In alle gevallen waar het comité van deze drie niet unaniem was in hun oordeel, brachten zij de kandidaat naar Jezus, en hoewel de Meester nooit ook maar iemand afwees die begeerde bevestigd te worden als boodschapper van het evangelie, waren er ruim een dozijn die niet langer wensten boodschappers van het evangelie te worden toen zij met Jezus hadden gesproken.

(1801.5) 163:2.2 Eén ijverige discipel kwam bij Jezus en zei: ‘Meester, ik zou graag een van uw nieuwe apostelen willen worden, maar mijn vader is heel oud en de dood nabij; zou ik toestemming kunnen krijgen naar huis te gaan om hem te begraven?’ Tegen deze man zei Jezus: ‘Zoon, de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des Mensen heeft geen plek om zijn hoofd neer te leggen. Je bent een trouw discipel en dat kun je ook blijven wanneer je terugkeert naar huis om voor hen die je dierbaar zijn te zorgen, maar voor mijn boodschappers van het koninkrijk ligt het anders. Zij hebben alles opgegeven om mij te volgen en het koninkrijk te verkondigen. Indien je als leraar bevestigd wilt worden, moet je anderen de doden laten begraven en er zelf op uit trekken om het goede nieuws te verkondigen.’ Deze man ging diep teleurgesteld heen.

(1801.6) 163:2.3 Een andere discipel kwam bij de Meester en zei: ‘Ik wil wel tot boodschapper bevestigd worden, maar ik wil graag even naar huis gaan om mijn familie op te beuren.’ Jezus antwoordde: ‘Indien je bevestigd wilt worden, moet je bereid zijn alles op te geven. De boodschappers van het evangelie kunnen geen gedeelde affecties hebben. Niemand die de hand aan de ploeg geslagen heeft en omziet, is waardig een boodschapper van het koninkrijk te worden.’

(1801.7) 163:2.4 Daarop bracht Andreas een zekere rijke jongeman naar Jezus; deze was vroom en gelovig en wilde graag bevestigd worden. Deze jongeman, Matadormus, was lid van het Sanhedrin in Jeruzalem. Hij had Jezus horen onderrichten en was daarna door Petrus en de andere apostelen onderwezen in het evangelie van het koninkrijk. Jezus sprak met Matadormus over de voorwaarden voor bevestiging en verzocht hem zijn beslissing uit te stellen tot hij dieper over de zaak had nagedacht. De volgende morgen vroeg, toen Jezus een wandeling ging maken, sprak deze jongeman hem aan en zei: ‘Meester, ik zou graag van u willen horen wat het eeuwig leven zeker stelt. Aangezien ik vanaf mijn jeugd alle geboden onderhouden heb, zou ik graag willen weten wat ik nog meer moet doen om het eeuwige leven te verwerven?’ In antwoord op deze vraag zei Jezus: ‘Wanneer je alle geboden onderhoudt – geen overspel pleegt, geen vals getuigenis geeft, niemand te kort doet, en je ouders eert – doe je daar goed aan, maar verlossing is het loon van geloof, niet alleen van werken. Geloof je dit evangelie van het koninkrijk?’ Matadormus antwoordde: ‘Ja Meester, ik geloof alles wat u en uw apostelen mij geleerd hebben.’ Hierop zei Jezus: ‘Dan ben je inderdaad een discipel van mij en een kind van het koninkrijk.’

(1802.1) 163:2.5 Daarop zei de jongeman: ‘Maar Meester, ik ben er niet tevreden mee om alleen uw discipel te zijn; ik zou graag een van uw nieuwe boodschappers willen worden.’ Toen Jezus dit hoorde, keek hij met grote liefde op hem neer en zei: ‘Ik wil je als een van mijn boodschappers aannemen indien je bereid bent de prijs te betalen; indien je het ene ding dat je ontbreekt wilt aanvullen.’ Matadormus antwoordde: ‘Meester, ik wil alles doen als mij toegestaan wordt u te volgen.’ En Jezus kuste de jongeman op het voorhoofd en zei: ‘Indien je een boodschapper van mij wilt worden, ga dan heen en verkoop alles wat je bezit en wanneer je de opbrengst aan de armen of aan je broeders gegeven hebt, kom dan en volg mij, en je zult schatten bezitten in het koninkrijk des hemels.’

(1802.2) 163:2.6 Toen Matadormus dit hoorde, betrok zijn gelaat. Hij stond op en ging treurig heen, want hij had grote bezittingen. Deze welgestelde jonge Farizeeër was opgevoed in het geloof dat rijkdom een bewijs was van Gods gunst. Jezus wist dat hij niet vrij was van eigenliefde en van liefde voor zijn rijkdom. De Meester wilde hem bevrijden van de liefde voor rijkdom, niet noodzakelijkerwijs van zijn rijkdom. De discipelen van Jezus deden geen afstand van al hun aardse goederen, maar de apostelen en de zeventig deden dat wel. Matadormus verlangde een van de zeventig nieuwe boodschappers te worden, en dit was de reden dat Jezus van hem vroeg afstand te doen van al zijn wereldlijke bezittingen.

(1802.3) 163:2.7 Bijna ieder mens heeft wel iets bepaalds waar hij aan vasthoudt als een geliefd kwaad, doch dat hij zal moeten opgeven als onderdeel van de toegangsprijs voor het binnengaan van het koninkrijk des hemels. Indien Matadormus van zijn rijkdom afstand had gedaan, zou hem deze waarschijnlijk direct weer in handen zijn gegeven om te beheren als penningmeester van de zeventig. Want later, toen de kerk te Jeruzalem was gesticht, gaf hij inderdaad gehoor aan het bevel van de Meester ofschoon het toen te laat was om lid te kunnen worden van de zeventig, en hij werd penningmeester van de kerk te Jeruzalem waarvan Jakobus, de broer van Jezus, het hoofd was.

(1802.4) 163:2.8 Zo is het altijd geweest en zal het altijd gaan: de mens moet ertoe komen zijn eigen beslissingen te nemen. De keuzevrijheid van stervelingen heeft een zeker bereik. De krachten van de geestelijke wereld willen de mens niet dwingen: zij staan hem toe de weg van zijn eigen keuze te gaan.

(1802.5) 163:2.9 Jezus voorzag dat Matadormus, met zijn rijkdom, onmogelijk een bevestigd medewerker kon worden van mensen die alles hadden opgegeven voor het evangelie; tegelijkertijd zag hij ook dat Matadormus, zonder zijn rijkdom, uiteindelijk de leider van hen allen zou worden. Maar het verging hem zoals de eigen broers van Jezus, hij werd nimmer groot in het koninkrijk omdat hij zichzelf beroofde van de nauwe, persoonlijke omgang met de Meester die hij had kunnen ervaren indien hij toen bereid was geweest te doen wat Jezus van hem vroeg, en wat hij verscheidene jaren later metterdaad deed.

(1803.1) 163:2.10 Rijkdom is op zichzelf van geen invloed op het binnengaan in het koninkrijk des hemels, doch de liefde voor rijkdom wel. De geestelijke loyaliteiten van het koninkrijk zijn onverenigbaar met dienstbaarheid aan de materialistische mammon. De mens kan niet in de allerhoogste mate trouw zijn aan een geestelijk ideaal en tegelijk verknocht aan de materie.

(1803.2) 163:2.11 Jezus heeft nooit onderricht dat het verkeerd is rijkdom te bezitten. Hij verplichtte alleen de twaalf en de zeventig al hun werelds bezit te wijden aan de gemeenschappelijke zaak. En zelfs dan nog droeg hij er zorg voor dat ze hun bezittingen goed van de hand konden doen, zoals in het geval van de Apostel Matteüs. Jezus gaf zijn welgestelde discipelen vele malen dezelfde raad die hij ook aan de rijke man in Rome had gegeven. De Meester beschouwde het verstandig beleggen van verdiensten die men over had, als een wettige vorm van verzekering tegen toekomstige en onvermijdelijke tegenspoed. Wanneer de kas van de apostelen rijkelijk gevuld was, gaf Judas geld in deposito zodat dit later gebruikt zou kunnen worden wanneer ze misschien ernstig te lijden zouden krijgen van vermindering van hun inkomsten. Judas deed dit na overleg met Andreas. Jezus bemoeide zich nooit persoonlijk met de financiën van de apostelen, behalve met het geven van aalmoezen. Er was echter één economische misstand die hij vele malen veroordeelde, en dat was de unfaire uitbuiting van de zwakke, ongeletterde, minder fortuinlijke mensen door hun sterke, oplettende en meer intelligente medemensen. Jezus verklaarde dat een dergelijke onmenselijke behandeling van mannen, vrouwen en kinderen onverenigbaar was met de idealen van de broederschap van het koninkrijk des hemels.

3. De discussie over rijkdom

(1803.3) 163:3.1 Tegen de tijd dat Jezus zijn onderhoud met Matadormus had beëindigd, waren Petrus en een aantal andere apostelen om hem heen komen staan, en toen de rijke jongeman heenging, keerde Jezus zich om, zag de apostelen aan en zei: ‘Jullie ziet hoe moeilijk het is voor rijken om het koninkrijk Gods geheel binnen te gaan! Geestelijke godsverering kan niet samen gaan met gehechtheid aan materiële zaken: niemand kan twee heren dienen. Jullie hebben een spreekwoord dat zegt: “Een kameel kan gemakkelijker door het oog van een naald gaan dan dat een heiden het eeuwig leven beërft.” En ik zeg jullie dat het gemakkelijker is voor deze kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor deze zelfgenoegzame rijken om het koninkrijk des hemels binnen te gaan.’

(1803.4) 163:3.2 Toen Petrus en de apostelen deze woorden hoorden, waren ze buitengewoon verbaasd, en wel zozeer, dat Petrus zei: ‘Heer, wie kan er dan nog behouden worden? Dienen allen die rijkdom bezitten buiten het koninkrijk gehouden te worden?’ Waarop Jezus antwoordde: ‘Neen, Petrus, maar allen die hun vertrouwen stellen op rijkdom kunnen moeilijk een aanvang maken met het geestelijke leven dat naar eeuwige vooruitgang voert. Maar zelfs dan nog, veel wat voor mensen onmogelijk is, is niet onmogelijk voor de Vader in de hemel; wij moeten veeleer inzien dat bij God alle dingen mogelijk zijn.’

(1803.5) 163:3.3 Toen zij samen weggingen, was Jezus bedroefd omdat Matadormus niet bij hen bleef, want hij had hem zeer lief. En toen zij tot aan het meer gelopen waren, gingen ze aan de waterkant zitten; Petrus zei namens de twaalf (die intussen allen aanwezig waren): ‘Wij zijn verontrust door uw woorden tot de rijke jongeman. Moeten wij van hen die u willen volgen, vragen al hun goederen in de wereld op te geven?’ Waarop Jezus antwoordde: ‘Neen Petrus, alleen van hen die apostelen willen worden en zoals jullie met mij willen samenleven, als één familie. Maar de Vader eist dat de liefde van zijn kinderen zuiver en onverdeeld is. Wat of wie er ook tussen jou en de liefde voor de waarheden van het koninkrijk moge komen, dient te worden opgegeven. Als iemands rijkdom het rijk van zijn ziel onberoerd laat, is deze geen belemmering voor het geestelijk leven van degene die het koninkrijk willen binnengaan.’

(1804.1) 163:3.4 Daarop zei Petrus: ‘Maar Meester, wij hebben alles achtergelaten om u te volgen, wat zal ons deel dan zijn?’ Toen sprak Jezus tot alle twaalf: ‘Voorwaar, voorwaar, ik zeg jullie, er is niemand die om mijnentwil of ter wille van het koninkrijk des hemels zijn rijkdom, thuis, vrouw, broers, ouders of kinderen heeft verlaten, en die niet vele malen meer in deze wereld zal ontvangen, zij het misschien met enige vervolging, en in de toekomstige wereld het eeuwig leven. Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, terwijl vele laatsten dikwijls de eersten zullen zijn. De Vader handelt met zijn schepselen naar hun behoeften en gehoorgevend aan zijn rechtvaardige wetten die barmhartig en liefdevol rekening houden met het welzijn van een universum.

(1804.2) 163:3.5 ‘Het koninkrijk des hemels is als een heer des huizes die vele mannen in dienst had en er vroeg in de morgen op uit ging om arbeiders aan te nemen om in zijn wijngaard te werken. Toen hij met de arbeiders overeengekomen was hun een denarius per dag te betalen, stuurde hij hen naar de wijngaard. Daarna ging hij omstreeks negen uur opnieuw uit, en toen hij zag dat er nog anderen werkloos op de markt stonden, zei hij tot hen: “Ga ook in mijn wijngaard werken en ik zal u naar billijkheid betalen.” En zij gingen meteen aan het werk. Om twaalf uur ging hij opnieuw uit en eveneens omstreeks drie uur, en deed wederom hetzelfde. En toen hij rond vijf uur in de middag naar de markt ging, vond hij nog weer anderen die daar werkloos stonden, en vroeg hun, “Waarom staat ge hier de hele dag werkloos?” De mannen antwoordden, “Omdat niemand ons heeft gehuurd.” Daarop zei de heer des huizes: “Ga ook naar mijn wijngaard om daar te werken, en ik zal u betalen hetgeen billijk is.”

(1804.3) 163:3.6 ‘Toen het avond werd, zei de eigenaar van de wijngaard tot zijn rentmeester: “Roep de arbeiders en betaal hun hun loon uit, te beginnen met hen die het laatst in dienst zijn genomen en eindig met de eersten.” Toen degenen die om vijf uur waren aangenomen bij de rentmeester kwamen, ontvingen zij ieder een denarius, en hetzelfde gebeurde met alle andere arbeiders. Toen de mannen die aan het begin van de dag in dienst waren genomen, zagen hoe de later gekomenen betaald werden, verwachtten zij meer te ontvangen dan het afgesproken bedrag. Maar evenals de anderen ontving ieder slechts één denarius. En toen elk zijn loon ontvangen had, beklaagden zij zich bij de heer des huizes, zeggende: “Deze mannen die het laatst aangenomen zijn, hebben maar één uur gewerkt, en toch hebt ge hun hetzelfde betaald als ons die de last des daags in de gloeiende zon hebben gedragen.”

(1804.4) 163:3.7 ‘Hierop antwoordde de heer des huizes: “Vrienden, ik doe u geen onrecht. Heeft niet een ieder van u ermee ingestemd voor één denarius per dag te werken? Neem nu het uwe en ga uws weegs, want ik wens aan degenen die het laatst kwamen evenveel te geven als ik aan u gegeven heb. Ben ik niet gerechtigd met het mijne te doen wat ik wil, of misgunt gij mij mijn edelmoedigheid omdat ik goed wil zijn en mededogen wil tonen?’

4. Het afscheidswoord tot de zeventig

(1804.5) 163:4.1 Het was een inspirerende dag in het kamp te Magadan toen de zeventig op hun eerste zendingstocht uittrokken. In de vroegte die morgen hield Jezus zijn laatste toespraak tot de zeventig en legde daarin de nadruk op het volgende:

(1804.6) 163:4.2 1. Het evangelie van het koninkrijk moet aan de hele wereld verkondigd worden, zowel aan niet-Joden als aan Joden.

(1804.7) 163:4.3 2. Wanneer ge zieken bijstand verleent, weerhoudt u er dan van hen te onderrichten dat zij wonderen moeten verwachten.

(1805.1) 163:4.4 3. Verkondig een geestelijke broederschap van de zonen Gods, niet een uiterlijk koninkrijk van wereldlijke macht en materiële glorie.

(1805.2) 163:4.5 4. Vermijd tijdverlies door te veel gezelligheidsbezoeken en andere onbeduidende dingen die uw volle toewijding aan de prediking van het evangelie zouden kunnen verhinderen.

(1805.3) 163:4.6 5. Als het eerste huis dat ge tot hoofdkwartier kiest, een eerbaar huis blijkt te zijn, blijf daar dan gedurende uw gehele verdere verblijf in die stad.

(1805.4) 163:4.7 6. Maak alle getrouwe gelovigen duidelijk dat nu de tijd is aangebroken voor een openlijke breuk met de godsdienstige leiders te Jeruzalem.

(1805.5) 163:4.8 7. Leer dat de hele plicht van de mens kan worden samengevat in dit ene gebod: Heb de Heer uw God lief met geheel uw verstand en ziel, en uw naaste als uzelf. (Dit dienden zij te onderrichten als ’s mensen enige plicht, in plaats van de 613 leefregels die door de Farizeeën waren uitgewerkt.)

(1805.6) 163:4.9 Toen Jezus de zeventig aldus had toegesproken in de tegenwoordigheid van alle apostelen en discipelen, nam Simon Petrus de groep apart en hield hij de bevestigingspredikatie, een uitwerking van de opdracht van de Meester, die hij hun had gegeven toen hij hun de handen had opgelegd en hen had geroepen als boodschappers van het koninkrijk. Petrus spoorde de zeventig aan in hun doen en laten de volgende deugden hoog te houden:

(1805.7) 163:4.10 1. Geheiligde toewijding. Ze moesten altijd bidden om meer arbeiders die uitgezonden konden worden om de oogst van het evangelie binnen te halen. Hij legde hun uit dat als men zo bidt, men des te eerder zal zeggen: ‘Hier ben ik, zend mij uit.’ Hij maande hen hun dagelijkse godsverering niet te verwaarlozen.

(1805.8) 163:4.11 2. Ware moed. Hij waarschuwde hen dat ze vijandschap zouden ontmoeten en zeker ook vervolging zouden ondervinden. Petrus zei hun dat hun missie geen onderneming voor lafaards was, en gaf degenen die bang waren de raad zich terug te trekken voordat ze aan hun reis begonnen. Maar niemand trok zich terug.

(1805.9) 163:4.12 3. Geloof en vertrouwen. Zij moesten op deze korte missietocht uitgaan zonder enige voorziening: zij moesten op de Vader vertrouwen voor voedsel en onderdak en al het andere dat ze nodig mochten hebben.

(1805.10) 163:4.13 4. IJver en initiatief. Ze moesten bezield zijn met ijver en verstandig enthousiasme; ze moesten zich strikt bezighouden met de zaken van de Meester. De oosterse wijze van begroeten was een lange en uitvoerige ceremonie, daarom was hun de instructie gegeven ‘niemand onderweg te begroeten,’ hetgeen een gebruikelijke manier was om er bij iemand op aan te dringen zich aan zijn opdracht te houden zonder tijd te verspillen. Het had niets te maken met vriendelijk groeten.

(1805.11) 163:4.14 5. Vriendelijkheid en hoffelijkheid. De Meester had hun de opdracht gegeven onnodig tijdverlies door sociaal ceremonieel te vermijden, maar hij bond hun op het hart hoffelijk te zijn jegens een ieder met wie zij in contact zouden komen. Zij moesten alle vriendelijkheid betonen jegens degenen die hen in hun huis zouden ontvangen. Zij werden duidelijk gewaarschuwd niet een bescheiden huis te verlaten om in een meer comfortabel of voornamer huis als gast te worden opgenomen.

(1805.12) 163:4.15 6. Het dienstbetoon aan de zieken. De zeventig kregen van Petrus de opdracht de zieken naar ziel of lichaam op te zoeken en alles te doen wat in hun vermogen lag om verlichting of genezing van hun ziekten te bewerkstelligen.

(1805.13) 163:4.16 En nadat zij deze opdrachten hadden gekregen en aldus waren voorgelicht, trokken zij twee aan twee uit op hun zendingstocht naar Galilea, Samaria en Judea.

(1806.1) 163:4.17 Ofschoon de Joden een bijzonder respect hadden voor het getal zeventig, omdat zij de volkeren der heidenen soms als zeventig in aantal beschouwden, en ofschoon deze zeventig boodschappers met het evangelie naar alle volkeren moesten gaan, was het, voorzover wij kunnen nagaan, toch alleen maar toevallig dat deze groep juist zeventig mensen telde. Het staat vast dat Jezus nog ten minste zes anderen aanvaard zou hebben, maar dezen waren niet bereid de prijs te betalen van het opgeven van hun rijkdom en gezinnen.

5. Het verplaatsen van het kamp naar Pella

(1806.2) 163:5.1 Jezus en de twaalf maakten zich nu gereed om hun laatste hoofdkwartier op te slaan in Perea, nabij Pella, waar Jezus in de Jordaan was gedoopt. De laatste tien dagen van november werden besteed aan beraadslagingen in Magadan, en op dinsdag, 6 december, bij het aanbreken van de dag, vertrok het gehele gezelschap van bijna driehonderd mensen met al hun bezittingen, om die avond hun kamp op te slaan in de buurt van Pella, bij de rivier. Dit was dezelfde plek, bij de bron, waar Johannes de Doper verscheidene jaren zijn kamp had gehad.

(1806.3) 163:5.2 Na het opbreken van het kamp te Magadan keerde David Zebedeüs terug naar Betsaïda en begon de koeriersdienst onmiddellijk in omvang terug te brengen. Het koninkrijk was een nieuwe fase ingegaan. Dagelijks arriveerden er pelgrims uit alle delen van Palestina en zelfs uit verre oorden in het Romeinse Rijk. Er kwamen af en toe zelfs gelovigen uit Mesopotamië en uit de landen ten oosten van de Tigris. Op 18 december belaadde David, met behulp van zijn koeriers, de lastdieren met de kampuitrusting die toen in het huis van zijn vader was opgeslagen en waarmee hij eerder het kamp te Betsaïda aan het meer had uitgerust. Hij zei Betsaïda voorlopig vaarwel en trok langs de oever van het meer en langs de Jordaan naar een plek ongeveer een halve mijl ten noorden van het kamp van de apostelen; en binnen een week was hij gereed om gastvrijheid te bieden aan bijna vijftienhonderd pelgrims die het kamp kwamen bezoeken. Het kamp van de apostelen had plaats voor ongeveer vijfhonderd. Het was het regenseizoen in Palestina en dit onderkomen was nodig voor het steeds toenemende aantal voornamelijk serieuze belangstellenden die naar Perea kwamen om Jezus te ontmoeten en zijn onderricht te beluisteren.

(1806.4) 163:5.3 David deed dit alles op eigen initiatief, ofschoon hij in Magadan wel overleg had gepleegd met Filippus en Matteüs. Hij maakte gebruik van de diensten van de meerderheid van zijn voormalige koerierskorps om hem te helpen in de leiding van het kamp; er werden nu nog geen twintig man ingezet voor de geregelde koeriersdienst. Tegen het eind van december, nog vóór de zeventig waren teruggekeerd, hadden zich al bijna achthonderd bezoekers rond de Meester verzameld, en dezen vonden onderdak in het kamp van David.

6. De terugkeer van de zeventig

(1806.5) 163:6.1 Op vrijdag, 30 december, terwijl Jezus in de nabijgelegen bergen was met Petrus, Jakobus en Johannes, arriveerden de zeventig boodschappers twee aan twee, vergezeld door talrijke gelovigen, in het hoofdkwartier te Pella. Toen Jezus omstreeks vijf uur in het kamp terugkeerde, hadden alle zeventig zich verzameld op de plek waar het onderricht werd gegeven. Het avondmaal werd meer dan een uur uitgesteld, terwijl deze enthousiasten voor het koninkrijk hun ervaringen vertelden. De koeriers van David hadden in de voorgaande weken al veel van dit nieuws gerapporteerd, maar het was waarlijk inspirerend om deze pas bevestigde leraren van het evangelie persoonlijk te horen vertellen hoe hun boodschap door hongerende Joden en niet-Joden was ontvangen. Eindelijk kon Jezus mensen erop uit zien trekken om het goede nieuws te verbreiden, zonder dat hij er persoonlijk bij aanwezig was. De Meester wist nu dat hij deze wereld kon verlaten zonder de vooruitgang van het koninkrijk ernstig te belemmeren.

(1807.1) 163:6.2 Toen de zeventig vertelden hoe ‘zelfs de duivelen onderworpen waren’ aan hen, doelden zij daarmede op de wonderbaarlijke genezingen die zij tot stand hadden gebracht bij zenuwzieken. Desniettemin waren ook enkele gevallen van werkelijke bezetenheid door geesten door deze dienaren van het koninkrijk genezen, en hierop doelende zei Jezus: ‘Het is niet zo vreemd dat deze lagere geesten u onderworpen waren, in aanmerking genomen dat ik Satan als een bliksemstraal uit de hemel heb zien vallen. Maar verheugt u niet zozeer daarover, want ik zeg u dat, zodra ik tot de Vader zal zijn teruggekeerd, wij onze geesten tot in het bewustzijn zelve van de mensen zullen uitzenden, zodat deze paar verdwaalde geesten het bewustzijn van zulke ongelukkige stervelingen niet meer binnen zullen komen. Ik verheug mij met u dat er kracht van u uitgaat bij de mensen, maar voelt u niet verheven door deze ervaring, doch verheugt u liever dat uw naam opgetekend staat in de hemel, en dat ge aldus voorwaarts zult gaan in een eindeloze loopbaan van geestelijke veroveringen.’

(1807.2) 163:6.3 En het was op dit moment, vlak voor de avondmaaltijd, dat Jezus een van die zeldzame ogenblikken van emotionele extase had, die zijn volgelingen reeds enkele malen hadden kunnen meemaken. Hij zei: ‘Ik dank u, Vader, Heer van hemel en aarde, dat ofschoon dit wonderbaarlijke evangelie verborgen was voor de wijzen en zelfgenoegzamen, de geest deze geestelijke heerlijkheden aan deze kinderen van het koninkrijk heeft geopenbaard. Ja Vader, het moet welgevallig in uw ogen zijn geweest om het zo te doen, en ik verblijd mij erover dat ik weet dat het goede nieuws zich over de hele wereld zal verspreiden, zelfs nadat ik tot u zal zijn teruggekeerd en naar het werk dat ge mij hebt opgedragen. Ik ben diep geroerd wanneer ik besef dat gij mij zeer spoedig alle gezag in handen zult geven, en dat gij alleen weet wie ik werkelijk ben, en dat alleen ik u werkelijk ken, en zij aan wie ik u heb geopenbaard. En wanneer ik deze openbaring aan mijn broeders in het vlees beëindigd heb, zal ik voortgaan u te openbaren aan uw schepselen in den hoge.’

(1807.3) 163:6.4 Toen Jezus aldus tot de Vader gesproken had, wendde hij zich tot zijn apostelen en helpers en zei: ‘Gezegend zijn de ogen die deze dingen zien en de oren die ze horen. Laat mij u zeggen dat vele profeten en vele grote mannen uit vroeger tijden ernaar hebben verlangd te aanschouwen hetgeen gij nu ziet, doch het is hun niet ten deel gevallen. En vele geslachten van de kinderen des lichts zullen in de toekomst, wanneer zij van deze dingen horen, u benijden die ze gehoord en gezien hebt.’

(1807.4) 163:6.5 Daarop richtte hij zich tot alle discipelen en zei: ‘Gij hebt gehoord hoe vele steden en dorpen het goede nieuws van het koninkrijk hebben ontvangen, en hoe mijn helpers en leraren zowel door Joden als door niet-Joden goed zijn ontvangen. En inderdaad, gezegend zijn deze gemeenschappen die gekozen hebben voor het geloof in het evangelie van het koninkrijk. Maar wee hen die het licht afwijzen, de inwoners van Chorazin, Betsaïda-Julias en Kafarnaüm, de steden die deze boodschappers niet goed ontvangen hebben. Ik zeg u dat, indien de machtige werken die in deze plaatsen verricht zijn, in Tyrus en Sidon waren gedaan, de mensen van deze zogenaamde heidense steden al lang in zak en as berouw getoond zouden hebben. Het zal waarlijk draaglijker zijn voor Tyrus en Sidon op de dag des oordeels.’

(1807.5) 163:6.6 Daar het de volgende dag Sabbat was, zonderde Jezus zich met de zeventig af en zei tot hen: ‘Ik verheugde mij inderdaad met jullie bij jullie terugkomst toen ge de goede tijding bracht hoe het evangelie van het koninkrijk door zovele mensen, door heel Galilea, Samaria en Judea was ontvangen. Maar waarom waren jullie zo verrast en opgetogen? Hadt ge niet verwacht dat van uw boodschap bij haar verkondiging kracht zou uitgaan? Zijt ge er met zo weinig geloof in dit evangelie op uit getrokken, dat ge bij uw terugkomst verbaasd bent over de doeltreffendheid ervan? En nu wil ik u, hoewel ik uw vreugdevolle stemming niet wil bederven, toch ernstig waarschuwen voor de arglistigheden van de hoogmoed, geestelijke trots. Indien ge de val van Lucifer, de ongerechtige, zoudt kunnen begrijpen, zoudt ge u plechtig voornemen alle vormen van geestelijke hoogmoed te vermijden.

(1808.1) 163:6.7 ‘Ge zijt aan dit grootse werk begonnen om de sterfelijke mens te leren dat hij een zoon van God is. Ik heb u de weg gewezen; gaat uit om uw plicht te doen en wordt niet moede goed te doen. Laat mij tot u en tot allen die in de loop der eeuwen in uw voetsporen zullen volgen, dit zeggen: Ik ben altijd nabij, en mijn roepstem is nu en zal immer zijn: Komt allen tot mij, gij die zwoegt en zwaar belast zijt, en ik zal u rust geven. Neem mijn juk op u en leer van mij, want ik ben waarachtig en getrouw, en ge zult geestelijke rust vinden voor uw ziel.’

(1808.2) 163:6.8 En zij bevonden de woorden van de Meester waar, telkens wanneer zij zijn beloften op de proef stelden. En sinds die dag hebben talloze duizenden de zekerheid van deze zelfde beloften beproefd en bewezen.

7. De voorbereiding voor de laatste zendingstocht

(1808.3) 163:7.1 Er volgden nu een paar drukke dagen in het kamp bij Pella; de voorbereidingen voor de missie door Perea werden voltooid. Jezus en zijn metgezellen zouden weldra aan hun laatste zendingstocht beginnen, de rondreis door geheel Perea die drie maanden zou duren en pas eindigde toen de Meester Jeruzalem inging voor zijn laatste arbeid op aarde. Gedurende deze gehele periode bleef het hoofdkwartier van Jezus en de twaalf apostelen hier in het kamp bij Pella.

(1808.4) 163:7.2 Het was niet meer nodig dat Jezus erop uittrok om de mensen te onderrichten. Zij kwamen nu in een wekelijks groeiend aantal tot hem uit alle streken, niet alleen uit Palestina, maar uit de gehele Romeinse wereld en uit het Nabije Oosten. Ofschoon Jezus met de zeventig meewerkte in de tocht door Perea, bracht hij toch een groot deel van zijn tijd door in het kamp bij Pella, waar hij de menigte leerde en onderricht gaf aan de twaalf. Gedurende deze gehele periode van drie maanden bleven er tenminste tien van de apostelen bij Jezus.

(1808.5) 163:7.3 Het vrouwenkorps trof ook voorbereidingen om er twee aan twee met de zeventig op uit te gaan om in de grotere steden van Perea te werken. Deze oorspronkelijke groep van twaalf vrouwen had onlangs een groter korps van vijftig vrouwen opgeleid voor huisbezoek en in de kunst om de zieken en beproefden te verzorgen. Perpetua, de vrouw van Petrus, werd lid van deze nieuwe afdeling van het vrouwenkorps en haar werd onder Abner de leiding van dit meer uitgebreide werk van de vrouwen toevertrouwd. Na Pinksteren bleef zij bij haar vermaarde echtgenoot en vergezelde hem op al zijn zendingstochten; en op de dag dat Petrus te Rome werd gekruisigd, werd zij in de arena voor de wilde dieren geworpen. Dit nieuwe vrouwenkorps had onder zijn leden ook de vrouwen van Filippus en Matteüs en de moeder van Jakobus en Johannes.

(1808.6) 163:7.4 Men maakte zich nu gereed om te beginnen aan de laatste fase van het werk voor het koninkrijk onder de persoonlijke leiding van Jezus. En deze fase werd gekenmerkt door geestelijke diepgang, in tegenstelling tot de op wonderen en mirakelen beluste scharen die achter de Meester aantrokken in de vroegere periode van zijn populaiteit in Galilea. Heel veel van zijn volgelingen waren echter nog materieel ingesteld, en vermochten niet de waarheid te vatten dat het koninkrijk des hemels de geestelijke broederschap der mensen is, gegrond op het eeuwige feit van het universele vaderschap van God.


Información de fondo

AfdrukkenAfdrukken

Urantia Foundation, 533 W. Diversey Parkway, Chicago, IL 60614, USA
Telefoon: +1-773-525-3319
© Urantia Foundation. Alle rechten voorbehouden