Verhandeling 164 - Op het Feest der Tempelvernieuwing

   
   Red Jesus Text: Aan | Uit    Paragraaf Nummers: Aan | Uit
AfdrukkenAfdrukkenSend by emailSend by email

Het Urantia Boek

Verhandeling 164

Op het Feest der Tempelvernieuwing


(1809.1) 164:0.1 TERWIJL het kamp bij Pella in gereedheid werd gebracht, ging Jezus heimelijk op weg naar Jeruzalem om daar het feest van de tempelvernieuwing bij te wonen, waarbij hij Natanael en Tomas meenam. Eerst toen zij de Jordaan overstaken op de doorwaadbare plaats bij Betanië, werd het de beide apostelen duidelijk dat hun Meester van plan was door te gaan naar Jeruzalem. Toen ze zagen dat hij werkelijk het voornemen had om het feest van de tempelvernieuwing bij te wonen, maakten ze zeer ernstig bezwaar daartegen, waarbij ze alle mogelijke argumenten gebruikten om hem ervan af te brengen. Maar hun inspanningen waren vergeefs, Jezus was vastbesloten naar Jeruzalem te gaan. Op al hun dringende verzoeken en waarschuwingen tegen de dwaasheid en het gevaar om zichzelf over te leveren in de handen van het Sanhedrin, antwoordde hij aldoor alleen: ‘Ik wil die leraren in Israel nogmaals de gelegenheid geven het licht te zien voordat mijn uur komt.’

(1809.2) 164:0.2 En zo ging de tocht naar Jeruzalem verder; de twee apostelen bleven uiting geven aan hun vrees en twijfel ten aanzien van de wijsheid van deze ogenschijnlijk vermetele onderneming. Omstreeks half vijf bereikten zij Jericho, waar zij zich klaarmaakten om de nacht door te brengen.

1. Het verhaal van de barmhartige Samaritaan

(1809.3) 164:1.1 Die avond verzamelde zich een groot aantal mensen rond Jezus en de beide apostelen om vragen te stellen waarvan vele door de apostelen werden beantwoord, terwijl andere vragen door de Meester werden besproken. In de loop van de avond zei een zekere wetgeleerde, die erop uit was Jezus in een compromitterend debat te verwikkelen: ‘Leraar, ik zou u willen vragen wat ik nu precies moet doen om het eeuwige leven te beërven?’ Jezus antwoordde: ‘Wat staat er in de wet en de profeten geschreven, wat leest ge in de Schrift?’ De wetgeleerde, die zowel het onderricht van Jezus als dat van de Farizeeën kende, antwoordde: ‘Om de Heer uw God lief te hebben met geheel uw hart, met geheel uw ziel, verstand en kracht, en uw naaste als uzelf.’ Waarop Jezus zei: ‘Ge hebt juist geantwoord, indien ge dit werkelijk doet, zal het u tot eeuwig leven brengen.’

(1809.4) 164:1.2 Maar de wetgeleerde was niet geheel oprecht toen hij deze vraag stelde, en verlangend zichzelf te rechtvaardigen en tevens hopend Jezus in verwarring te brengen, waagde hij het nog een andere vraag te stellen. Hij ging wat dichter bij Jezus staan en zei: ‘Maar Leraar, zoudt ge mij willen zeggen wie precies mijn naaste is?’ De wetgeleerde vroeg dit in de hoop Jezus in de val te kunnen laten lopen door hem een verklaring te ontlokken die in strijd zou zijn met de Joodse wet, waarin iemands naaste werd gedefinieerd als ‘de kinderen van iemands volk.’ Alle anderen werden door de Joden beschouwd als ‘heidense honden.’ Deze wetgeleerde was enigszins bekend met het onderricht van Jezus en wist daarom heel goed dat de Meester daar anders over dacht; hij hoopte hem er op deze manier toe te brengen een uitspraak te doen die als een aanval op de heilige wet zou kunnen worden uitgelegd.

(1810.1) 164:1.3 Jezus zag echter de beweegreden van de wetgeleerde en in plaats van in de val te lopen, begon hij zijn toehoorders een verhaal te vertellen, een verhaal dat door elk gehoor in Jericha ten volle naar waarde zou worden geschat. Jezus zei: ‘Een zekere man ging van Jeruzalem naar Jericho en viel in handen van wrede rovers die hem beroofden, van zijn kleren ontdeden en sloegen, en toen ze weggingen, hem half dood achterlieten. Toevallig kwam er al heel spoedig een priester langs diezelfde weg, en toen hij bij de gewonde man kwam en zag hoe ongelukkig deze er aan toe was, ging hij hem aan de andere kant van de weg voorbij. En een Leviet die langskwam en de man zag, ging hem eveneens aan de andere kant van de weg voorbij. Ongeveer terzelfdertijd trof een zekere Samaritaan, op reis naar Jericho, deze gewonde man aan; toen hij zag hoe hij beroofd en geslagen was, werd hij door deernis bewogen, ging naar hem toe en verbond zijn wonden, nadat hij er olie en wijn op had gedaan; daarna zette hij hem op zijn eigen lastdier en bracht hem hier naar de herberg en verzorgde hem. De volgende ochtend haalde hij geld tevoorschijn, gaf dat aan de waard en zei: “Zorg goed voor mijn vriend, en mocht ge meer kosten maken, dan zal ik u die vergoeden wanneer ik weer terug kom.” Nu zou ik u willen vragen: wie van deze drie bleek de naaste te zijn van de man die in handen van de rovers was gevallen?’ En toen de wetgeleerde bemerkte dat hij in zijn eigen valstrik gevangen was, antwoordde hij: ‘Hij die barmhartigheid aan hem betoonde.’En Jezus zei: ‘Ga dan heen en handel op dezelfde wijze.’

(1810.2) 164:1.4 De wetgeleerde antwoordde, ‘Hij die hem barmhartigheid betoonde’, omdat hij het verfoeilijke woord Samaritaan zelfs niet over zijn lippen wilde laten komen. De wetgeleerde was gedwongen op de vraag ‘Wie is mijn naaste?’, juist het antwoord te geven dat Jezus wenste. Had Jezus zelf deze uitspraak gedaan, dan zou hij direct verwikkeld zijn geraakt in een aanklacht wegens ketterij. Jezus bracht niet alleen de onoprechte wetgeleerde in verwarring, maar ook vertelde hij zijn toehoorders een verhaal dat tegelijkertijd een schone aanmaning was aan al zijn volgelingen en een verbluffende berisping van alle Joden ten aanzien van hun houding tegenover de Samaritanen. En dit verhaal is van blijvende betekenis geweest geweest voor de bevordering van broederlijke liefde onder al degenen die later het evangelie van Jezus hebben geloofd.

2. In Jeruzalem

(1810.3) 164:2.1 Jezus had het loofhuttenfeest bijgewoond opdat hij het evangelie aan pelgrims uit alle delen van het Romeinse Rijk zou kunnen verkondigen; hij maakte zich nu op om naar het feest van de tempelvernieuwing te gaan met slechts één doel: om het Sanhedrin en de Joodse leiders nogmaals een kans te geven het licht te zien. De belangrijkste gebeurtenis van deze paar dagen in Jeruzalem vond plaats op vrijdagavond ten huize van Nikodemus. Hier waren ongeveer vijfentwintig Joodse leiders samengekomen die het onderricht van Jezus geloofden. Onder deze groep bevonden zich veertien mannen die op dat moment lid van het Sanhedrin waren, of dat tot voor kort waren geweest. Deze vergadering werd ook bijgewoond door Eber, Matadormus en Jozef van Arimatea.

(1810.4) 164:2.2 Bij deze gelegenheid bestond het gehoor van Jezus louter uit geleerde mannen, en zowel zij als zijn beide apostelen stonden verbaasd over de ruimdenkendheid en diepzinnigheid van de observaties die de Meester aan dit uitgelezen gezelschap voorlegde. Zulk een kennis van zaken en inzicht in de aangelegenheden der mensen, zowel op wereldlijk als op religieus gebied, had hij niet meer tentoongespreid sinds de periode waarin hij onderrichtte in Alexandrië, Rome en op de eilanden van de Middellandse Zee.

(1810.5) 164:2.3 Toen deze kleine vergadering uiteenging, waren allen verbijsterd door de persoonlijkheid van de Meester, bekoord door zijn hoffelijke wijze van optreden en voelden zij grote liefde voor deze mens. Zij hadden getracht Jezus te adviseren inzake zijn verlangen om ook de overige leden van het Sanhedrin te winnen. De Meester luisterde aandachtig naar al hun voorstellen, doch bewaarde het stilzwijgen. Hij wist maar al te goed dat geen van hun plannen zou werken. Hij vermoedde dat de meerderheid der Joodse leiders het evangelie van het koninkrijk wel nooit zou accepteren; niettemin gaf hij hun allen nog deze ene kans om hun keuze te doen. Doch toen hij die avond met Natanael en Tomas vertrok om de nacht op de Olijfberg door te brengen, had hij nog niet besloten welke methode hij zou volgen om zijn werk nogmaals onder de aandacht van het Sanhedrin te brengen.

(1811.1) 164:2.4 Die nacht sliepen Natanael en Tomas maar weinig: ze waren te verbaasd over wat ze ten huize van Nikodemus hadden gehoord. Zij dachten veel na over de slotopmerking van Jezus over het aanbod van de voormalige en toenmalige leden van het Sanhedrin om met hem mee te gaan en met hem voor de zeventig te verschijnen. De Meester had gezegd: ‘Neen, broeders, dat zou nergens toe dienen. Ge zoudt vele malen meer toorn opwekken die op uw eigen hoofd zou neerkomen, maar de haat die zij mij toedragen niet in het minst verzachten. Ieder van u werke voor de Vader zoals de geest u leidt, terwijl ik nogmaals het koninkrijk onder hun aandacht zal brengen op de wijze zoals mijn Vader mij zal opdragen.’

3. De genezing van de blinde bedelaar

(1811.2) 164:3.1 De volgende ochtend gingen de drie naar het huis van Marta in Betanië voor het ontbijt, en vervolgens gingen zij meteen naar Jeruzalem. Toen Jezus en zijn twee apostelen op deze Sabbatmorgen in de buurt van de tempel kwamen, troffen ze daar op zijn gebruikelijke plaats een bekende bedelaar aan, een man die blind was geboren. Ofschoon deze bedelaars op de Sabbatdag geen aalmoezen vroegen of ontvingen, was het hun wel toegestaan op hun gewone plaats te zitten. Jezus bleef staan en keek naar de bedelaar. Terwijl hij zo peinzend naar deze blindgeborene keek, kreeg hij het idee op welke wijze hij nogmaals zijn zending op aarde onder de aandacht zou kunnen brengen van het Sanhedrin en de overige Joodse leiders en godsdienstleraren.

(1811.3) 164:3.2 Toen de Meester in diepe gedachten verzonken voor de blinde stond, vroeg Natanael, die nadacht over de mogelijke oorzaak van ’s mans blindheid: ‘Meester, wie heeft er gezondigd, deze man of zijn ouders, dat hij blind is geboren?’

(1811.4) 164:3.3 De rabbijnen leerden dat al dergelijke gevallen van aangeboren blindheid veroorzaakt waren door zonde. Niet alleen werden kinderen in zonde ontvangen en geboren, maar een kind kon ook blind geboren worden als straf voor een bepaalde zonde die zijn vader had begaan. Zij onderrichtten zelfs dat een kind zelf zou kunnen zondigen nog vóór het ter wereld was gekomen. Ook leerden zij dat dergelijke gebreken hun oorzaak konden hebben in het toegeven aan een bepaalde zonde, of een andere toegeeflijkheid jegens zichzelf van de moeder terwijl zij zwanger was van het kind.

(1811.5) 164:3.4 In al deze streken bestonden er ook nog resten van een geloof in reïncarnatie. De oudere Joodse leraren tolereerden, evenals Plato, Philo en velen van de Essenen, de theorie dat de mens in de ene incarnatie kan oogsten wat hij in een vorig bestaan heeft gezaaid: men geloofde dus dat zij in één leven de zonden boetten die zij in voorgaande levens hadden begaan. De Meester vond het moeilijk de mensen te doen geloven dat hun ziel niet eerder had bestaan.

(1811.6) 164:3.5 Ofschoon verondersteld werd dat zulk een blindheid het gevolg was van een begane zonde, waren de Joden van oordeel, hoe onlogisch dit ook moge schijnen, dat het tot grote verdienste gerekend moest worden om deze blinde bedelaars aalmoezen te geven. Deze blinden hadden de gewoonte om op één toon tot de voorbijgangers te zingen: ‘O barmhartige, verwerf u verdienste door de blinden bij te staan.’

(1811.7) 164:3.6 Jezus begon dit geval met Natanael en Tomas te bespreken, niet alleen omdat hij reeds had besloten deze blinde te gebruiken als het middel om die dag zijn zending nogmaals uitdrukkelijk onder de aandacht van de Joodse leiders te brengen, maar ook omdat hij zijn apostelen altijd aanmoedigde om naar de ware oorzaak te zoeken van alle verschijnselen, natuurlijke of geestelijke. Hij had hen dikwijls gewaarschuwd niet mee te gaan in de algemene neiging om geestelijke oorzaken toe te schrijven aan alledaagse materiële gebeurtenissen.

(1812.1) 164:3.7 Jezus besloot deze bedelaar te gebruiken voor het werk van deze dag, maar alvorens iets te doen voor de blinde, Josias geheten, ging hij over tot de beantwoording van de vraag van Natanael. De Meester zei: ‘Noch deze man, noch zijn ouders hebben gezondigd opdat het werk Gods zich in hem zou manifesteren. Deze blindheid is in de natuurlijke loop der gebeurtenissen over hem gekomen, maar wij moeten nu de werken doen van Hem die mij gezonden heeft, nu het nog dag is, want de nacht zal zeker komen waarin het onmogelijk zal zijn het werk te doen dat wij nu gaan verrichten. Wanneer ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld, doch weldra zal ik niet meer bij jullie zijn.’

(1812.2) 164:3.8 Toen Jezus was uitgesproken, zei hij tot Natanael en Tomas: ‘Laat ons het gezichtsvermogen van deze blinde man scheppen op deze Sabbatdag, opdat de schriftgeleerden en Farizeeën alle gelegenheid krijgen om de Zoon des Mensen aan te klagen, hetgeen is waar zij naar uitzien.’ Daarna bukte hij zich, spuwde op de grond en mengde de aarde met het speeksel, en terwijl hij dit alles ondertussen beschreef zodat de blinde het kon horen, trad hij op Josias toe, legde de aarde op zijn blinde ogen en zei tot hem: ‘Zoon, ga naar het badwater Siloam en was deze aarde daar af, en ge zult onmiddellijk uw gezichtsvermogen ontvangen.’ En toen Josias aldus de aarde in het badwater Siloam had afgewassen, keerde hij ziende tot zijn vrienden en familie terug.

(1812.3) 164:3.9 Aangezien hij altijd een bedelaar was geweest, wist hij niets anders te doen; toen dus de eerste opwinding over het verkrijgen van zijn gezichtsvermogen voorbij was, keerde hij terug naar de plaats waar hij gewoonlijk om aalmoezen bedelde. Toen zijn vrienden, buren, en allen die hem tevoren gekend hadden, bemerkten dat hij kon zien, zeiden ze allen: ‘Is dit niet Josias, de blinde bedelaar?’ Sommigen zeiden dat hij het inderdaad was, terwijl anderen zeiden: ‘Neen, het is iemand die wel op hem lijkt, maar deze man kan zien.’ Maar toen ze het hem zelf vroegen, antwoordde hij: ‘Ik ben het.’

(1812.4) 164:3.10 Toen zij hem begonnen te vragen hoe het kwam dat hij nu kon zien, antwoordde hij hun: ‘Een man die Jezus heette, kwam hier langs en terwijl hij met zijn vrienden over mij sprak, maakte hij een mengsel van aarde en speeksel, zalfde daarmee mijn ogen en zond mij naar het badwater Siloam om mij te gaan wassen. Ik deed wat die man mij zei en onmiddellijk kreeg ik mijn gezichtsvermogen. Het is pas een paar uur geleden gebeurd. Veel van wat ik zie kan ik nog niet thuisbrengen.’ Toen de mensen die zich om hem begonnen te verzamelen, vroegen waar zij die vreemde man die hem had genezen konden vinden, kon Josias slechts antwoorden dat hij dat niet wist.

(1812.5) 164:3.11 Dit is een van de vreemdste van alle wonderen die de Meester heeft verricht. Deze man vroeg niet om genezen te worden. Hij wist niet dat de Jezus die hem naar Siloam had gestuurd om zich te wassen en die hem het gezichtsvermogen beloofd had, de profeet uit Galilea was die tijdens het loofhuttenfeest in Jeruzalem gepredikt had. Deze man had er weinig vertrouwen in dat hij het gezichtsvermogen zou krijgen, maar de mensen van die tijd hadden een sterk geloof in de uitwerking van het speeksel van een groot of heilig man, en Josias had uit het gesprek van Jezus met Natanael en Tomas opgemaakt dat de man die zich als zijn weldoener aandiende, een groot man was, een geleerde leraar of een heilige profeet; dus deed hij wat Jezus hem opdroeg.

(1812.6) 164:3.12 Jezus maakte gebruik van aarde en speeksel en beval de blinde zich in het symbolische badwater Siloam te wassen om drie redenen:

(1812.7) 164:3.13 1. Dit was geen wonder in respons op het geloof van de betreffende persoon. Dit was een wonder dat Jezus zelf verkoos te doen en waarmee hij zijn eigen bedoeling had, maar hij regelde het op zulk een wijze dat deze man er blijvend profijt van kon hebben.

(1813.1) 164:3.14 2. Daar de blinde zelf niet om genezing had gevraagd en omdat het geloof dat hij had maar gering was, werden deze materiële handelingen hem voorgesteld om hem te bemoedigen. Hij hield er wel het bijgeloof op na dat speeksel een doeltreffend middel was, en hij wist ook dat het badwater Siloam een min of meer heilige plaats was. Maar hij zou er niet heen zijn gegaan indien het niet nodig was geweest om de modderzalf af te wassen. Er kleefde net genoeg ceremonieel aan de hele verrichting om hem tot handelen te brengen.

(1813.2) 164:3.15 3. Jezus had echter nog een derde reden om bij deze unieke verrichting zijn toevlucht te nemen tot deze materiële middelen: dit was een wonder dat hij zuiver en alleen deed omdat hij het zelf verkoos, en daarmee wilde hij al zijn volgelingen uit die tijd en uit alle latere eeuwen leren dat zij zich ervan dienen te onthouden om materiële middelen bij de genezing van zieken te minachten of te verwaarlozen. Hij wilde hun leren dat zij moesten ophouden wonderen als de enige methode te zien om de ziekten van mensen te genezen.

(1813.3) 164:3.16 Jezus schonk deze man door mirakuleuze werking zijn gezichtsvermogen op deze Sabbatmorgen in Jeruzalem, in de buurt van de tempel, met als voornaamste doel dat deze daad een openlijke uitdaging zou zijn van het Sanhedrin en alle Joodse leraren en religieuze leiders. Dit was zijn manier om een openlijke breuk met de Farizeeën aan te kondigen. Hij was altijd positief in alles wat hij deed. En met de bedoeling om deze zaken voor het Sanhedrin te brengen, leidde Jezus zijn twee apostelen in het begin van de middag van deze Sabbatdag naar deze man, en lokte hij welbewust de discussies uit die de Farizeeën ertoe dwongen kennis te nemen van dit wonder.

4. Josias voor het Sanhedrin

(1813.4) 164:4.1 Halverwege de middag had de genezing van Josias zoveel discussie rondom de tempel veroorzaakt, dat de leiders van het Sanhedrin besloten de raad samen te roepen op hun gebruikelijke vergaderplaats in de tempel. Hiermee overtraden zij een vaste regel die vergaderingen van het Sanhedrin op de Sabbatdag verbood. Jezus wist dat het schenden van de Sabbat een van de voornaamste aanklachten tegen hem zou zijn wanneer de laatste beproeving zou komen, en hij wenste voor het Sanhedrin gebracht te worden om terecht te staan op de beschuldiging dat hij een blinde op de Sabbatdag genezen had, terwijl het hoge Joodse hof dat over hem moest oordelen vanwege deze daad van barmhartigheid, zelf over deze zaak zou beraadslagen in deze zitting op de Sabbatdag, in directe overtreding van de wetten die zij zichzelf hadden opgelegd.

(1813.5) 164:4.2 Maar ze lieten Jezus niet voor zich verschijnen, ze durfden dit niet te doen. In plaats daarvan werd Josias op staande voet ontboden. Na enige inleidende vragen beval de woordvoerder van het Sanhedrin (er waren ongeveer vijftig leden aanwezig) Josias te vertellen wat er met hem gebeurd was. Na zijn genezing die morgen had Josias van Tomas, Natanael, en anderen vernomen dat de Farizeeën boos waren om zijn genezing op de Sabbat, en dat zij waarschijnlijk alle betrokkenen moeilijkheden zouden bezorgen, maar Josias zag nog niet in dat Jezus degene was die de Verlosser genaamd werd. Toen de Farizeeën hem ondervroegen, zei hij dus: ‘Deze man kwam langs, deed modder op mijn ogen en zei mij me te gaan wassen in Siloam, en nu kan ik zien.’

(1813.6) 164:4.3 Een van de oudere Farizeeën hield een lange redevoering en zei tenslotte: ‘Deze man kan niet van God zijn, want ge kunt zien dat hij de Sabbat niet in acht neemt. Hij overtreedt de wet door eerst modder te maken en dan deze bedelaar naar Siloam te zenden, alles op de Sabbatdag. Zulk een man kan geen leraar zijn die van God gezonden is.’

(1813.7) 164:4.4 Toen zei een der jongere mannen, die heimelijk in Jezus geloofde: ‘Indien deze man niet door God gezonden is, hoe kan hij dan deze dingen doen? Wij weten dat iemand die een gewone zondaar is niet zulke wonderen kan doen. Wij kennen deze bedelaar allemaal en weten dat hij blind geboren is, en nu ziet hij. Wilt ge nog steeds zeggen dat deze profeet al deze wonderen verricht door de macht van de vorst der duivels?’ En voor iedere Farizeeër die Jezus durfde te beschuldigen en te veroordelen, stond een andere op om lastige vragen te stellen, zodat er een ernstige tweespalt ontstond. De voorzitter zag welke richting het opging, en om de discussie tot bedaren te brengen, maakte hij zich op om de man zelf verder te ondervragen. Zich tot Josias richtend, zei hij: ‘Wat hebt gij te zeggen over deze man, deze Jezus, die volgens u uw ogen heeft geopend?’ Josias antwoordde: ‘Ik denk dat hij een profeet is.’

(1814.1) 164:4.5 De leiders raakten zeer verontrust, en omdat ze niet wisten wat ze anders moesten doen, ontboden ze de ouders van Josias om te vernemen of hij werkelijk blind geboren was. Ze waren ongenegen te geloven dat de bedelaar was genezen.

(1814.2) 164:4.6 Het was welbekend in Jeruzalem dat Jezus niet alleen de toegang tot alle synagogen was ontzegd, maar dat ook allen die zijn leer geloofden uit de synagoge werden geworpen, werden uitgebannen uit de gemeenschap van Israel, en dit betekende dat iemand alle rechten en privileges in heel het Joodse land werden ontzegd, behalve het recht om de noodzakelijke levensbehoeften te kopen.

(1814.3) 164:4.7 Toen dus de ouders van Josias, arme en door vrees bevangen mensen, voor het doorluchtige Sanhedrin verschenen, waren ze bang om vrijuit te spreken. De woordvoerder van het hof zei tot hen: ‘Is dit uw zoon? en begrijpen wij goed dat hij blind geboren is? Indien dat waar is, hoe komt het dan dat hij nu kan zien?’ Daarop antwoordde de vader van Josias, met bijval van de moeder: ‘Wij weten dat dit onze zoon is, en dat hij blindgeboren is, maar hoe het komt dat hij nu ziet, of wie het was die zijn ogen geopend heeft, weten wij niet. Vraag het hemzelf; hij is meerderjarig, laat hem voor zichzelf spreken.’

(1814.4) 164:4.8 Zij lieten nu Josias voor de tweede keer voor zich komen. Zij maakten niet veel voortgang met hun plan om een formele rechtszitting te houden, en sommigen begonnen het eigenaardig te vinden om dit op de Sabbat te doen; toen ze Josias opnieuw opriepen, trachtten ze hem daarom in een valstrik te lokken door een andere aanvalstactiek. De voorzitter van het hof richtte het woord tot de man die blind was geweest en zei: ‘Waarom geeft ge Gode niet de eer in deze zaak? Waarom vertelt ge ons niet de volledige waarheid over wat er gebeurd is? Wij weten allemaal dat deze man een zondaar is. Waarom wilt ge de waarheid niet inzien? Ge weet dat gijzelf en ook die andere man schuldig bevonden zijn aan Sabbatsschennis. Wilt ge uw zonde niet goedmaken door God als uw genezer te erkennen, indien ge nog steeds wilt beweren dat uw ogen vandaag zijn geopend?’

(1814.5) 164:4.9 Maar Josias was niet dom en gevoel voor humor ontbrak hem evenmin; dus antwoordde hij de voorzitter van het hof: ‘Of deze man een zondaar is, weet ik niet; maar één ding weet ik wel – dat ik nu kan zien, terwijl ik eerst blind was.’ Daar zij Josias niet in de val konden laten lopen, probeerden ze het door hem nog verder te ondervragen, zeggende: ‘Hoe opende hij nu precies uw ogen? Wat deed hij nu eigenlijk met u? Wat zei hij tegen u? Vroeg hij u om in hem te geloven?’

(1814.6) 164:4.10 Josias antwoordde enigszins ongeduldig: ‘Ik heb u precies verteld hoe het allemaal gebeurde, en indien ge geen geloof hebt gehecht aan mijn getuigenis, waarom wilt ge het dan opnieuw horen? Wilt gij bijgeval ook zijn discipelen worden?’ Toen Josias hun zo geantwoord had, ging het Sanhedrin in verwarring, bijna in geweld, uiteen, want de leiders snelden op Josias toe en schreeuwden boos: ‘Jij kunt er wel over praten dat je een discipel van deze man bent, maar wij zijn discipelen van Mozes en wij zijn de leraren van de wetten van God. Wij weten dat God door Mozes heeft gesproken, maar wat deze mens Jezus betreft, wij weten niet vanwaar hij is.’

(1814.7) 164:4.11 Toen riep Josias, die op een stoel was gaan staan, luid door de hele zaal tot allen die het horen konden: ‘Luistert, gij die er aanspraak op maakt leraren van gans Israel te zijn, ik zeg u dat hierin iets zeer merkwaardigs schuilt, want gij bekent dat gij niet weet vanwaar deze mens is, en toch weet gij zeker, door het getuigenis dat gij gehoord hebt, dat hij mijn ogen heeft geopend. Wij weten allen dat God niet zulke werken volbrengt voor de goddelozen, dat God zoiets alleen zou doen op het verzoek van iemand die hem in waarheid aanbidt – voor iemand die heilig en rechtvaardig is. Gij weet dat niemand er sinds het begin van de wereld ooit van gehoord heeft dat van iemand die blind geboren is de ogen geopend werden. Kijkt dan, gij allen, ziet naar mij en beseft wat er vandaag in Jeruzalem heeft plaatsgevonden! Ik zeg u, indien deze man niet van God zou zijn, zou hij dit niet kunnen doen.’ En terwijl de leden van het Sanhedrin boos en verward heengingen, schreeuwden ze hem toe: ‘Jij bent geheel in zonde geboren en verbeeld je je nu ons de les te kunnen lezen? Misschien ben je niet werkelijk blind geboren, en zelfs indien je ogen wel geopend zijn op de Sabbatdag, dan is dit gedaan door de macht van de vorst der duivels.’ En ze gingen onmiddellijk naar de synagoge om Josias uit te bannen.

(1815.1) 164:4.12 Josias had vóór de aanvang van de rechtszitting niet veel idee van Jezus en de aard van zijn genezing. Het grootste deel van het gedurfde getuigenis dat hij zo schrander en moedig aflegde voor het hoogste gerechtshof van heel Israel, ontwikkelde zich in zijn bewustzijn toen het proces zich op zulk een onbillijke en onrechtvaardige wijze ontrolde.

5. Het onderricht in de zuilengang van Salomo

(1815.2) 164:5.1 De gehele tijd dat deze Sabbatschennende zitting van het Sanhedrin in een van de tempelvertrekken aan de gang was, liep Jezus daar in de nabijheid rond en onderrichtte hij het volk in de Zuilengang van Salomo, in de hoop dat hij opgeroepen zou worden om voor het Sanhedrin te verschijnen, waar hij hun het goede nieuws zou kunnen verkondigen van de vrijheid en vreugde van het goddelijk zoonschap in het koninkrijk Gods. Maar zij durfden hem niet te laten komen. Zij werden altijd van hun stuk gebracht door deze plotselinge, openlijke verschijningen van Jezus in Jeruzalem. Ze hadden vurig verlangd deze gelegenheid te krijgen, en nu Jezus hun die bood, durfden ze hem niet voor het Sanhedrin te brengen, zelfs niet als getuige, en ze waren nog bevreesder om hem te arresteren.

(1815.3) 164:5.2 Het was nu in Jeruzalem midden in de wintertijd, en de mensen zochten de gedeeltelijke beschutting van de Zuilengang van Salomo; en terwijl Jezus zich daar ophield, vroegen de menigten hem vele dingen en hij onderrichtte hen meer dan twee uur lang. Sommigen van de Joodse leraren trachtten hem in een valstrik te lokken door hem publiekelijk te vragen: ‘Hoe lang laat ge ons nog in onzekerheid? Indien gij de Messias zijt, waarom zegt ge ons dat dan niet ronduit?’ Waarop Jezus zei: ‘Ik heb vele malen tot u gesproken over mijzelf en mijn Vader, doch gij wilt mij niet geloven. Kunt ge niet inzien dat de werken die ik in mijns Vaders naam doe, getuigenis voor mij afleggen? Maar velen van u geloven niet omdat ge niet tot mijn kudde behoort. De leraar van waarheid trekt slechts diegenen tot zich die hongeren naar waarheid en dorsten naar gerechtigheid. Mijn schapen horen mijn stem, en ik ken hen en zij volgen mij. En aan allen die mijn leer volgen, geef ik het eeuwige leven; zij zullen nimmer verloren gaan en niemand zal hen uit mijn hand rukken. Mijn Vader die mij deze kinderen gegeven heeft, is groter dan allen, zodat niemand in staat is hen uit de hand van mijn Vader te rukken. De Vader en ik zijn één.’ Sommigen van de Joden die niet in hem geloofden, snelden naar de plek waar nog steeds aan de tempel gebouwd werd om stenen te halen om Jezus te stenigen, maar de gelovigen weerhielden hen.

(1815.4) 164:5.3 Jezus ging verder met zijn onderricht: ‘Vele liefdewerken heb ik u vanwege de Vader getoond, en daarom vraag ik u nu voor welk van deze goede werken gij mij wilt stenigen?’ Een van de Farizeeën antwoordde toen: ‘Wij zouden u niet willen stenigen om enig goed werk, maar vanwege uw godslastering, aangezien gij, een mens zijnde, uzelf gelijk durft te stellen met God.’ Jezus antwoordde: ‘Gij beschuldigt de Zoon des Mensen van godslastering omdat ge hebt geweigerd mij te geloven toen ik u verklaarde dat ik door God ben gezonden. Indien ik niet de werken Gods doe, geloof mij dan niet, maar indien ik wel de werken Gods doe, zou ik denken dat zelfs al gelooft ge niet in mij, ge wel de werken zoudt geloven. Maar opdat gij zekerheid moogt hebben aangaande hetgeen ik verkondig, verzeker ik u nogmaals dat de Vader in mij is en ik in de Vader, en dat evenals de Vader in mij woont, ik ook in een ieder zal wonen die dit evangelie gelooft.’ En toen de mensen deze woorden hoorden, snelden velen heen om stenen te bemachtigen om hem te stenigen, maar hij ging naar buiten door het terrein van de tempel; en toen hij Natanael en Tomas tegenkwam, die de zitting van het Sanhedrin hadden gevolgd, bleef hij met hen in de buurt van de tempel wachten, tot Josias uit het raadsvertrek naar buiten zou komen.

(1816.1) 164:5.4 Jezus en zijn twee apostelen gingen Josias pas thuis opzoeken toen ze hoorden dat hij uit de synagoge was geworpen. Toen zij bij zijn huis kwamen, riep Tomas hem naar buiten op het erf en Jezus sprak hem aan en zei: ‘Josias, geloof je in de Zoon van God?’ Josias antwoordde: ‘Zeg mij wie dat is, zodat ik in hem kan geloven.’ Jezus zei: ‘Je hebt hem gezien en gehoord, en hij die nu met je spreekt, die is het.’ En Josias zei: ‘Heer, ik geloof,’ en hij viel ter aarde en aanbad hem.

(1816.2) 164:5.5 Toen Josias hoorde dat hij uit de synagoge was geworpen, was hij eerst heel terneergeslagen, maar hij werd zeer bemoedigd toen Jezus hem opdroeg zich onmiddellijk gereed te maken om met hen mee te gaan naar het kamp bij Pella. Deze eenvoudige man uit Jeruzalem was inderdaad uit een Joodse synagoge geworpen, maar zie, de Schepper van een universum brengt hem nu weg om hem te verbinden met de geestelijke adel van die tijd en generatie.

(1816.3) 164:5.6 En nu verliet Jezus Jeruzalem om er niet meer terug te keren voordat het bijna zover was dat hij zich opmaakte om deze wereld te verlaten. Samen met de twee apostelen en Josias ging de Meester terug naar Pella. Josias bleek een van de ontvangers van de wonderbare hulp van de Meester die daarvan de vruchten voortbrachten, want hij werd voor zijn hele verdere leven een prediker van het evangelie van het koninkrijk.


Información de fondo

AfdrukkenAfdrukken

Urantia Foundation, 533 W. Diversey Parkway, Chicago, IL 60614, USA
Telefoon: +1-773-525-3319
© Urantia Foundation. Alle rechten voorbehouden