Verhandeling 159 - De rondreis door de Dekapolis

   
   Red Jesus Text: Aan | Uit    Paragraaf Nummers: Aan | Uit
AfdrukkenAfdrukkenSend by emailSend by email

Het Urantia Boek

Verhandeling 159

De rondreis door de Dekapolis


(1762.1) 159:0.1 TOEN Jezus en de twaalf in het Magadanpark aankwamen, wachtte hun daar een groep van bijna honderd evangelisten en discipelen, waaronder het vrouwenkorps, die klaarstonden om onmiddellijk op weg te gaan langs de steden van de Dekapolis, om daar te onderrichten en te prediken.

(1762.2) 159:0.2 Op deze donderdagmorgen, 18 augustus, riep de Meester zijn volgelingen bijeen en gaf instructies dat elke apostel zich moest aansluiten bij een van de evangelisten, en dat zij er met de andere evangelisten in twaalf groepen op uit moesten trekken om in de steden en dorpen van de Dekapolis te gaan werken. Het vrouwenkorps en andere discipelen gaf hij opdracht bij hem te blijven. Jezus trok vier weken voor deze rondreis uit, en droeg zijn volgelingen op om op zijn laatst op vrijdag, 16 september, naar Magadan terug te keren. Hij beloofde hen gedurende deze tijd dikwijls op te zoeken. In de loop van de maand werkten deze groepen in Gerasa, Gamala, Hippos, Zafon, Gadara, Abila, Edreï, Filadelfia, Hesbon, Dium, Skytopolis, en vele andere stadjes. Gedurende deze rondreis vonden er nergens genezingswonderen of andere buitengewone gebeurtenissen plaats.

1. De toespraak over vergeving

(1762.3) 159:1.1 In antwoord op een vraag van een discipel, gaf Jezus op een avond in Hippos het onderricht over vergiffenis. De Meester zei het volgende:

(1762.4) 159:1.2 ‘Indien een goedhartig man honderd schapen heeft, en één ervan dwaalt af, zal hij dan niet onmiddellijk de negenennegentig alleen laten en op zoek gaan naar dat ene schaap dat is afgedwaald? En indien hij een goede herder is, zal hij dan niet net zo lang naar het verloren schaap blijven zoeken tot hij het heeft gevonden? En als dan de herder zijn verloren schaap gevonden heeft, legt hij het over zijn schouder, gaat naar huis met blijdschap en roept zijn vrienden en buren toe, “Wees blij met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was.” Ik zeg jullie dat er meer blijdschap in de hemel is om één zondaar die berouw heeft, dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen berouw nodig hebben. Zo is het ook de wil van mijn Vader in de hemel dat geen van deze kleintjes afdwaalt, en nog veel minder dat het omkomt. In uw religie moge het zo zijn dat God berouwvolle zondaars aanneemt, maar in het evangelie van het koninkrijk gaat de Vader erop uit om hen te zoeken, zelfs voordat ze al ernstig denken aan berouw.

(1762.5) 159:1.3 ‘De Vader in de hemel heeft zijn kinderen lief, en daarom moeten jullie ook leren elkaar lief te hebben; de Vader in de hemel vergeeft jullie je zonden, en daarom moet jullie ook leren elkaar te vergeven. Indien je broeder tegen je zondigt, ga dan naar hem toe en toon hem met tact en geduld zijn tekortkoming. En laat dit alles zich alleen tussen jullie beiden afspelen. Indien hij naar je wil luisteren, heb je je broeder gewonnen. Maar als je broeder niet naar je wil luisteren, indien hij volhardt in de dwaling zijns weegs, ga dan opnieuw naar hem toe en neem een of twee wederzijdse vrienden mee, zodat je twee, of zelfs drie getuigen hebt om je verklaring te bevestigen en vast te stellen dat je juist en barmhartig met je zondigende broeder hebt gehandeld. Wanneer hij dan ook niet naar je broeders wil luisteren, mag je de gehele geschiedenis aan de gemeente vertellen, en wanneer hij ook dan weigert om naar de broederschap te luisteren, laat de broederschap dan zodanige maatregelen treffen als zij verstandig zal achten, laat zulk een onhandelbaar lid een uitgestotene uit het koninkrijk worden. Hoewel jullie je niet kunt aanmatigen om recht te spreken over de zielen van jullie medebroeders, en hoewel je geen zonden moogt vergeven of je op andere wijze moogt aanmatigen je de prerogatieven van de supervisoren der hemelse heerscharen toe te eigenen, is jullie toch in handen gegeven om wereldlijke orde te handhaven in het koninkrijk op aarde. Hoewel jullie je niet moogt mengen in de goddelijke decreten met betrekking tot het eeuwig leven, zullen jullie wel beslissen in zaken van gedrag voorzover deze het wereldlijke welzijn van de broederschap op aarde raken. Wat jullie dus op aarde zult verordineren ten aanzien van al deze zaken die in verband staan met de discipline in de broederschap, zal erkend worden in de hemel. Ofschoon jullie niet kunt beslissen over het eeuwige lot van het individu, mogen jullie wel wetten instellen ten aanzien van het gedrag van de groep, want waar twee of drie van jullie het eens zijn ten aanzien van een van deze zaken en mij erom vragen, zal dit voor jullie gedaan worden, indien jullie bede niet in strijd is met de wil van mijn Vader in de hemel. En dit alles geldt immer, want waar twee of drie gelovigen verzameld zijn, daar ben ik in hun midden.’

(1763.1) 159:1.4 Simon Petrus was de apostel die de leiding had over de werkers in Hippos, en toen hij Jezus aldus hoorde spreken, vroeg hij: ‘Heer, hoe vaak zal een broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zeven keer toe?’ En Jezus antwoordde Petrus: ‘Niet slechts zevenmaal, maar wel zevenenzeventig maal. Derhalve kan het koninkrijk des hemels worden vergeleken met zekere koning, die bevel gaf tot een financiële controle bij zijn rentmeesters. Toen dit onderzoek van de rekeningen werd aangevangen, werd een zijn belangrijkste dienaren voor hem geleid, en deze bekende dat hij zijn koning tienduizend talenten schuldig was. Deze ambtenaar aan het hof van de koning voerde ter verdediging aan dat hij in grote moeilijkheden was geraakt en niet de middelen bezat om aan zijn verplichtingen te voldoen. En dus beval de koning dat zijn bezit in beslag moest worden genomen en dat zijn kinderen verkocht moesten worden om zijn schuld te betalen. Toen de hoofdrentmeester dit strenge decreet hoorde, viel hij voor de koning neer en smeekte hem barmhartig te willen zijn en hem meer tijd te gunnen, zeggende, “Heer, heb nog even geduld met mij en ik zal u alles terugbetalen.” Toen de koning zijn nalatige dienaar en diens gezin zo aanzag, werd hij met ontferming bewogen. Hij gaf bevel om hem vrij te laten en hem het geleende geheel kwijt te schelden.

(1763.2) 159:1.5 ‘Deze hoofdrentmeester nu, ging toen hij aldus barmhartigheid en vergeving van de koning had ontvangen, weer aan zijn werk, en toen hij een van zijn ondergeschikte rentmeesters aantrof die hem de kleine som van honderd schellingen schuldig was, hield hij hem aan, greep hem bij de keel, en zei: “Betaal mij alles wat je mij schuldig bent.” Hierop viel deze onderrentmeester voor de hoofdrentmeester neer en smeekte hem: “Heb alleen maar wat geduld met mij en ik zal u binnenkort kunnen betalen.” De hoofdrentmeester echter wilde geen barmhartigheid betonen aan zijn onderrentmeester en liet hem daarentegen in de gevangenis werpen totdat hij zijn schuld zou hebben betaald. Toen zijn mededienaren zagen wat er gebeurd was, waren ze zo overstuur dat ze naar hun heer en meester, de koning, gingen en het hem vertelden. Toen de koning van de handelwijze van de hoofdrentmeester hoorde, riep hij deze ondankbare, niet vergevensgezinde man bij zich en sprak: “Ge zijt een boze en onwaardige rentmeester. Toen gij om medelijden verzocht, heb ik u vrijelijk uw gehele schuld kwijt gescholden. Waarom betoont ge ook niet barmhartigheid aan uw onderrentmeester, evenals ik u barmhartigheid heb betoond?” En de koning was zo vreselijk boos, dat hij deze ondankbare hoofdrentmeester overleverde aan de gevangenbewaarders, die hem moesten vasthouden totdat hij al het verschuldigde zou hebben betaald. En zo ook zal mijn hemelse Vader des te overvloediger barmhartigheid betonen aan hen die vrijelijk barmhartigheid betonen aan hun medemensen. Hoe kun je tot God komen en hem vragen consideratie te hebben met jouw tekortkomingen, wanneer je zelf gewoon bent je broeders te bestraffen omdat zij schuldig zijn aan dezelfde menselijke zwakheden? Ik zeg jullie allen: Vrijelijk heb je het goede van het koninkrijk ontvangen, geef daarom ook vrijelijk aan je medemensen op aarde.’

(1764.1) 159:1.6 Zo onderrichtte Jezus de gevaren en illustreerde hij het onbillijke van het persoonlijk rechter spelen over de medemens. Discipline moet worden gehandhaafd, en het recht moet worden toegepast, maar in al deze zaken moet de wijsheid van de broederschap de doorslag geven. Jezus bekleedde de groep met wetgevend en justitieel gezag, niet het individu. Zelfs dit aan de groep verleende gezag moet niet persoonlijk worden uitgeoefend. Er bestaat altijd gevaar dat de uitspraak van een individu beïnvloed wordt door vooroordeel of misvormd door hartstocht. Door het groepsoordeel is er meer kans dat de gevaren en onbillijkheid van persoonlijke vooringenomenheid worden uitgeschakeld. Jezus trachtte steeds de kans op onbillijkheid, vergelding en wraak te minimaliseren.

(1764.2) 159:1.7 [Het gebruik van de term zevenenzeventig als een illustratie van barmhartigheid en verdraagzaamheid werd ontleend aan de Schrift, waar sprake is van de jubel van Lamech vanwege de metalen wapenen van zijn zoon Tubal-Kaïn, die toen hij deze betere wapenen vergeleek met die van zijn vijanden, uitriep: ‘Indien Kaïn, zonder wapen in zijn hand, zevenvoudig gewroken werd, zal ik nu zevenenzeventig maal gewroken worden.’]

2. De vreemde prediker

(1764.3) 159:2.1 Jezus ging naar Gamala om Johannes en diens medewerkers in die plaats te bezoeken. Die avond, na de gebruikelijke vragen en antwoorden, zei Johannes tot Jezus: ‘Meester, gisteren ben ik naar Astarot gegaan om een man op te zoeken die in uw naam onderricht en zelfs beweert dat hij duivels kan uitwerpen. Deze man is echter nooit bij ons geweest en is ook geen volgeling van ons; daarom heb ik hem verboden dit te doen.’ Hierop antwoordde Jezus: ‘Verbied hem niet. Zie je niet dat dit evangelie van het koninkrijk spoedig in de ganse wereld verkondigd zal worden? Hoe kun je verwachten dat allen die dit evangelie zullen geloven aan jullie leiding onderworpen zullen zijn? Wees blij dat onze leer zich reeds voorbij de grenzen van onze persoonlijke invloed is gaan manifesteren. Zie je niet in, Johannes, dat zij die zeggen in mijn naam grote werken te doen, uiteindelijk onze zaak wel moeten steunen? Zij zullen zeker niet gauw kwaad van mij spreken. Zoon, in dit soort zaken zou het beter zijn ervan uit te gaan dat zij die niet tegen ons zijn, vóór ons zijn. In de toekomstige generaties zullen velen die niet geheel eerzaam zijn vele vreemde dingen doen in mijn naam, maar ik zal het hun niet verbieden. Ik zeg je dat als er zelfs maar een beker koud water gegeven wordt aan een dorstige ziel, de boodschappers van de Vader immer melding zullen maken van zulk een dienstbetoon uit liefde.’

(1764.4) 159:2.2 Deze instructie bracht Johannes geheel van zijn stuk. Had hij de Meester niet horen zeggen, ‘Hij die niet met mij is, is tegen mij?’ Hij zag niet in dat in dit geval Jezus doelde op de persoonlijke betrekking van de mens tot het geestelijke onderricht van het koninkrijk, terwijl in het andere geval gedoeld werd op de uiterlijke, wijdverbreide sociale betrekkingen van gelovigen in kwesties van bestuurlijke macht en de rechtsbevoegdheid van de ene groep gelovigen over het werk van andere groepen die uiteindelijk de naderende wereldwijde broederschap zouden vormen.

(1765.1) 159:2.3 Maar Johannes vertelde deze ervaring dikwijls in verband met zijn latere werk voor het koninkrijk. Niettemin namen de apostelen vaak aanstoot aan degenen die zich verstoutten te onderrichten in de naam van de Meester. Het kwam hun altijd ongepast voor dat mensen die nimmer aan de voeten van Jezus hadden gezeten, het waagden om in zijn naam te leren.

(1765.2) 159:2.4 Deze man, wie Johannes verbood om in Jezus’ naam te onderrichten en te werken, gaf geen gehoor aan het bevel van de apostel. Hij ging gewoon door met zijn inspanningen en bereikte dat er een tamelijk grote groep gelovigen in Kanata was ontstaan, alvorens hij verder trok naar Mesopotamië. Deze man, Aden, was in Jezus gaan geloven door het getuigenis van de zwakzinnige man die door Jezus in de buurt van Keresa was genezen, en die er zo stellig van overtuigd was dat de veronderstelde boze geesten die de Meester uit hem had uitgeworpen, in de zwijnen gevaren waren en deze regelrecht over de rotsen naar hun ondergang hadden gejaagd.

3. Instructie voor leraren en gelovigen

(1765.3) 159:3.1 Jezus bracht een dag en een nacht door te Edreï waar Tomas en zijn metgezellen aan het werk waren, en in de loop van de avondbespreking bracht hij de beginselen onder woorden die hen die de waarheid prediken tot leidraad moeten zijn, en die allen die onderricht geven in het evangelie van het koninkrijk dienen te activeren. Samengevat in moderne bewoordingen, leerde Jezus het volgende:

(1765.4) 159:3.2 Hebt altijd respect voor de persoonlijkheid van een mens. Een rechtvaardige zaak dient nooit door geweld te worden gepropageerd: geestelijke overwinningen kunnen slechts door geestelijke kracht worden behaald. Dit verbod van het gebruik van materiële beïnvloeding slaat evenzeer op psychische als op fysieke kracht. Overweldigende argumenten en mentale superioriteit dienen niet te worden gebruikt om mannen en vrouwen te dwingen het koninkrijk binnen te gaan. Het menselijk bewustzijn mag niet verpletterd worden onder het gewicht van loutere logica of worden geïntimideerd door scherpzinnige welsprekendheid. Ofschoon emotie als een factor in menselijke beslissingen niet geheel kan worden uitgeschakeld, moet er geen rechtstreeks beroep op worden gedaan in het onderricht van hen die de zaak van het koninkrijk vooruit willen brengen. Appelleert rechtstreeks aan de goddelijke geest die in het bewustzijn der mensen woont. Appelleert niet aan vrees, medelijden of louter sentiment. Wanneer ge u tot de mensen wendt, weest dan fair: beheerst uzelf en houdt uzelf goed in toom; toont gepast respect voor de persoonlijkheid van uw leerlingen. Onthoudt dat ik gezegd heb: ‘Zie, ik sta aan de deur en klop, en indien iemand opendoet, zal ik binnenkomen.’

(1765.5) 159:3.3 Wanneer ge mensen het koninkrijk binnenleidt, verlaagt of vernietigt dan niet hun zelfrespect. Hoewel een teveel aan zelfrespect de gepaste nederigheid teniet kan doen en kan uitlopen op trots, verwaandheid en arrogantie, loopt het verlies van zelfrespect dikwijls uit op een verlamming van de wil. Het is de bedoeling van dit evangelie om zelfrespect terug te geven aan hen die het verloren hebben en het te beteugelen in hen die het bezitten. Maakt niet de fout dat ge alleen maar het verkeerde in het leven van uw leerlingen veroordeelt; denk er ook aan dat ge rijkelijk waardering toont voor de meest prijzenswaardige dingen in hun leven. Vergeet niet dat ik mij door niets zal laten weerhouden om het zelfrespect te hergeven aan hen die het verloren hebben, en die werkelijk verlangen het te herwinnen.

(1765.6) 159:3.4 Past op dat ge het zelfrespect van beschroomde en vreesachtige zielen niet verwondt. Geeft u niet over aan sarcasme ten koste van mijn broeders die eenvoudig van geest zijn. Weest niet cynisch tegen mijn door vrees bevangen kinderen. Lediggang vernietigt het zelfrespect: vermaant uw broeders daarom steeds bezig te blijven met de taken die zij gekozen hebben, en stelt alles in het werk om arbeid te vinden voor hen die zonder werk zijn.

(1766.1) 159:3.5 Maakt u nooit schuldig aan de onwaardige taktiek dat ge tracht mannen en vrouwen het koninkrijk te doen binnengaan door vrees. Een liefhebbende vader gebruikt geen angst als middel om zijn kinderen gehoor te doen geven aan zijn rechtvaardige verlangens.

(1766.2) 159:3.6 Eens zullen de kinderen van het koninkrijk beseffen dat krachtige gevoelens van ontroering niet gelijk staan met leiding door de goddelijke geest. Dat men op onverklaarbare wijze de sterke indruk krijgt iets te moeten doen of naar een bepaalde plek te moeten gaan, betekent niet noodzakelijkerwijze dat zo’n impuls de leiding is van de inwonende geest.

(1766.3) 159:3.7 Maakt alle gelovigen van tevoren attent op het randgebied van conflicten waar allen doorheen moeten die van het leven zoals het in het vlees wordt geleid, overgaan naar het hogere leven zoals het in de geest wordt geleid. Voor degenen die geheel binnen het ene of binnen het andere gebied leven, is er weinig conflict of verwarring, maar gedurende de overgangstijd tussen de twee niveaus van leven zijn allen gedoemd in min of meerdere mate onzekerheid te ervaren. Wanneer ge het koninkrijk binnengaat, kunt ge niet ontkomen aan de verantwoordelijkheden daarvan, noch de verplichtingen ervan vermijden, maar onthoudt dit: het juk van het evangelie is gemakkelijk en de last der waarheid is licht.

(1766.4) 159:3.8 De wereld is vol hunkerende zielen die van honger omkomen, terwijl het brood des levens toch bij hen is: de mensen sterven zoekend naar juist de God die in hen woont. De mensen zoeken naar de schatten van het koninkrijk met verlangende harten en met vermoeide voeten, terwijl deze schatten alle binnen het directe bereik van het levende geloof liggen. Geloof is voor religie wat zeilen zijn voor een schip; het is een toevoeging van kracht, niet een bijkomende levenslast. Er is slechts één worsteling voor degenen die het koninkrijk binnengaan, en dat is het strijden van de goede strijd des geloofs. De gelovige heeft slechts één strijd te strijden en dat is de strijd tegen twijfel – ongeloof.

(1766.5) 159:3.9 Wanneer ge het evangelie van het koninkrijk predikt, onderricht ge eenvoudig vriendschap met God. En deze vriendschap zal voor mannen en vrouwen even aantrekkelijk zijn, in de zin dat beiden daarin zullen vinden wat hun karakteristieke verlangens en idealen het echtst bevredigt. Zegt mijn kinderen dat ik niet alleen voorzichtig ben met hun gevoelens en geduldig met hun zwakheden, maar ook dat ik geen mededogen ken met zonde, en ongerechtigheid niet kan verdragen. Ik ben inderdaad zachtmoedig en nederig tegenover mijn Vader, maar ik ben evenzeer meedogenloos en onverbiddelijk waar opzettelijk kwaad wordt gedaan en zondige rebellie heerst tegen de wil van mijn Vader in de hemel.

(1766.6) 159:3.10 Ge zult uw leraar niet afschilderen als een man van smarten. Toekomende generaties zullen ook onze stralende vreugde kennen, de opgewektheid van onze goede wil, en de inspiratie van ons goede humeur. Wij verkondigen een boodschap van goed nieuws, die aanstekelijk is in zijn transformerende kracht. Onze religie klopt van nieuw leven en nieuwe betekenis. Zij die dit onderricht aanvaarden, worden van vreugde vervuld en hun hart moet zich wel steeds meer verheugen. Toenemend geluk is altijd de ervaring van allen die zeker zijn over God.

(1766.7) 159:3.11 Leert alle gelovigen dat ze niet moeten leunen op de onzekere stut van valse sympathie. Ge kunt geen sterk karakter ontwikkelen door toe te geven aan zelfmedelijden; tracht eerlijk de bedrieglijke invloed te vermijden van loutere kameraadschap in de ellende. Laat uw sympathie uitgaan naar de dapperen en moedigen en heb niet al te veel medelijden met lafhartige zielen die de beproevingen in het leven maar halfslachtig willen aanpakken. Biedt geen vertroosting aan hen die bij de pakken neerzitten zonder strijd geleverd te hebben. Reageert niet meevoelend op uw medemens met alleen de bedoeling dat zij op hun beurt meevoelend op u zullen reageren.

(1766.8) 159:3.12 Wanneer mijn kinderen zich eenmaal bewust worden van de zekerheid van de goddelijke tegenwoordigheid, zal dit geloof het bewustzijn verruimen, adel verlenen aan de ziel, de persoonlijkheid versterken, het geluk vermeerderen, de geest-waarneming verdiepen, en het vermogen om lief te hebben en bemind te worden vergroten.

(1767.1) 159:3.13 Leert alle gelovigen dat zij die het koninkrijk binnengaan daardoor niet onkwetsbaar worden voor de ongelukken in de tijd of voor gewone natuurrampen. Geloof in het evangelie zal niet voorkomen dat men in moeilijkheden geraakt, maar het zal wel zorgen dat ge onbevreesd zult zijn wanneer ge door moeilijkheden wordt overvallen. Indien ge in mij durft te geloven en mij van ganser harte gaat volgen, slaat ge daardoor zekerlijk de weg in die vast en zeker tot problemen leidt. Ik beloof niet dat ik u zal verlossen van de wateren der tegenspoed, maar wel beloof ik dat ik met u door al die wateren zal gaan.

(1767.2) 159:3.14 En nog veel meer leerde Jezus deze groep gelovigen, voordat zij zich gereedmaakten voor de nacht. Zij die deze woorden hoorden, bewaarden ze als schatten in hun hart en herhaalden ze dikwijls ter stichting van de apostelen en discipelen die niet aanwezig waren toen ze werden uitgesproken.

4. Het gesprek met Natanael

(1767.3) 159:4.1 Daarna ging Jezus naar Abila, waar Natanael en zijn metgezellen werkten. Natanael had het nogal moeilijk met sommige uitspraken van Jezus, die afbreuk schenen te doen aan het gezag van de erkende Hebreeuwse schrift. Dientengevolge nam Natanael, na de gewone tijd voor vragen en antwoorden, Jezus apart en vroeg: ‘Meester, zoudt u mij kunnen toevertrouwen de waarheid te weten over de Schrift? Ik merk dat u ons slechts een gedeelte van de heilige geschriften onderricht – het beste zoals ik het zie – en daaruit leid ik af dat u afwijst wat de rabbi’s onderwijzen, namelijk dat de woorden van de wet de woorden van God zelf zijn, die al in de hemel bestonden vóór de tijd van Abraham en Mozes. Wat is de waarheid ten aanzien van de Schrift?’ Toen Jezus de vraag van zijn verbijsterde apostel hoorde, antwoordde hij:

(1767.4) 159:4.2 ‘Natanael, je ziet het goed: ik beschouw de Schrift niet zoals de rabbi’s. Ik zal met je hierover spreken op voorwaarde dat je deze zaken niet doorgeeft aan je broeders die nog niet allen bereid zijn dit onderricht te ontvangen. De woorden van de wet van Mozes en de leer van de Schrift bestonden niet al vóór Abraham. Pas in een tijd die nog niet zo ver achter ons ligt, zijn de geschriften zoals wij die nu hebben bijeengebracht. Hoewel zij het beste bevatten van de hogere gedachten en verlangens van het Joodse volk, bevatten zij ook veel dat bij lange na niet representatief is voor het karakter en het onderricht van de Vader in de hemel, en daarom moet ik uit de betere leringen die waarheden kiezen die verzameld kunnen worden ten behoeve van het evangelie van het koninkrijk.

(1767.5) 159:4.3 ‘Deze geschriften zijn het werk van mensen, heilige en niet zo heilige mensen. De leringen in deze boeken vertegenwoordigen de verschillende gezichtspunten en de mate van verlichting van de perioden waarin ze zijn ontstaan. Als openbaring van de waarheid zijn de laatste betrouwbaarder dan de eerste. De Schrift is gebrekkig en geheel van menselijke oorsprong, maar vergis je niet, zij vormt de beste collectie van religieuze wijsheid en geestelijke waarheid die men op dit moment waar ook ter wereld kan vinden.

(1767.6) 159:4.4 ‘Veel van deze boeken zijn niet geschreven door de personen wier naam ze dragen, maar dat doet in geen enkel opzicht afbreuk aan de waarheden die ze bevatten. Indien het verhaal van Jona niet een feit zou zijnen, zelfs indien Jona nooit geleefd zou hebben, zou de diepe waarheid van dit verhaal, de liefde van God voor Ninevé en de zogenaamde heidenen, toch even kostbaar zijn in de ogen van allen die hun medemensen liefhebben. De Schrift is heilig omdat zij de gedachten en daden weergeeft van mensen die God hebben gezocht en die in deze geschriften hun hoogste opvattingen van rechtvaardigheid, waarheid en heiligheid te boek hebben gesteld. De Schrift bevat zeer veel waarheid, maar in het licht van hetgeen je nu leert, weet je dat deze geschriften ook veel bevatten dat een verkeerde voorstelling geeft van de Vader in de hemel, de liefhebbende God die ik ben komen openbaren aan alle werelden.

(1768.1) 159:4.5 ‘Natanael, sta je zelf niet toe om ook maar een ogenblik te geloven in de verslagen in de Schrift die je vertellen dat de God van liefde je voorvaderen opdracht gaf ten strijde te trekken en al hun vijanden te doden – mannen, vrouwen en kinderen. Zulke verhalen zijn de woorden van mensen, niet erg heilige mensen, en niet de woorden van God. De Schrift heeft altijd de intellectuele, morele en geestelijke staat weerspiegeld van hen die haar hebben geschapen, en zal dit altijd doen. Heb je niet opgemerkt dat de voorstellingen aangaande Jahweh in schoonheid en heerlijkheid toenemen, wanneer de profeten, van Samuel tot Jesaja, hun woorden neerschrijven? Je moet ook in gedachten houden dat de Schrift bedoeld is voor religieus onderricht en geestelijke leiding. Zij is niet het werk van historici of van filosofen.

(1768.2) 159:4.6 ‘Het meest betreurenswaardige is niet alleen dit verkeerde idee van de absolute volmaaktheid van wat in de Schrift staat en van de onfeilbaarheid van haar leringen, maar meer nog de verwarrende, verkeerde interpretatie van deze heilige schrift door de schriftgeleerden en Farizeeën in Jeruzalem, die geknecht zijn door de traditie. En nu willen ze zowel het leer- stuk van de inspiratie van de Schrift als hun verkeerde interpretatie gebruiken in hun vastberaden inspanning om deze nieuwe leer van het koninkrijk te weerstaan. Natanael, vergeet nooit dat de Vader de openbaring van waarheid nimmer beperkt tot een bepaalde generatie of een bepaald volk. Vele ernstige waarheidszoekers zijn in verwarring geraakt en ontmoedigd door deze leerstellingen over de volmaaktheid van de Schrift, en dit zal ook in de toekomst zo zijn.

(1768.3) 159:4.7 ‘Het gezag der waarheid is de geest zelf die in haar levende manifestaties woont, en niet de dode woorden van de minder verlichte en vermeend geïnspireerde mensen van een voorbije generatie. En zelfs indien deze heilige mensen van weleer geïnspireerde en van geest vervulde levens hebben geleid, dan betekent dat nog niet dat hun woorden even geestelijk geïnspireerd waren. In deze dagen stellen wij geen verslag op van het onderricht van dit evangelie van het koninkrijk, opdat jullie, nadat ik zal zijn heengegaan, niet al te spoedig verdeeld zult raken in allerlei groepen van strijders voor de waarheid, tengevolge van de diversiteit in jullie interpretatie van mijn onderricht. Voor deze generatie is het het beste dat wij deze waarheden in ons leven tot uitdrukking brengen, terwijl we het maken van geschriften vermijden.

(1768.4) 159:4.8 ‘Let goed op mijn woorden, Natanael, niets dat door de menselijke natuur is aangeraakt kan als onfeilbaar worden beschouwd. Door het menselijke bewustzijn kan inderdaad goddelijke waarheid stralen, maar deze is altijd van betrekkelijke zuiverheid en gedeeltelijke goddelijkheid. Het schepsel moge hunkeren naar onfeilbaarheid, doch alleen de Scheppers bezitten die.

(1768.5) 159:4.9 ‘De grootste dwaling in de leer aangaande de Schrift is echter het leerstuk dat stelt dat zij bestaat uit verzegelde boeken van mysterie en wijsheid, die alleen de wijzen van het volk mogen wagen te interpreteren. De openbaringen van de goddelijke waarheid zijn niet verzegeld, behalve door menselijke onwetendheid, kwezelarij en bekrompen onverdraagzaamheid. Het licht van de Schrift wordt alleen van zijn glans beroofd door vooroordeel, en verduisterd door bijgeloof. Een valse vrees voor het heilige heeft gemaakt dat de godsdienst de beveiliging van het gezonde verstand heeft moeten ontberen. De vrees voor het gezag van de heilige schrift uit het verleden belet de oprechte zielen van vandaag in feite om het nieuwe licht van het evangelie te aanvaarden, het licht dat juist deze God kennende mensen van een voorbije generatie zo vurig verlangden te zien.

(1769.1) 159:4.10 ‘Maar de droevigste kant van dit alles is dat sommige leraren van de heiligheid van dit traditionalisme juist deze waarheid weten. Ze begrijpen deze beperkingen van de Schrift min of meer volledig, maar het zijn morele lafaards, die intellectueel oneerlijk zijn. Ze kennen de waarheid aangaande de heilige geschrift, maar ze geven er de voorkeur aan deze storende feiten niet bekend te maken aan het volk. En zo verdraaien en verwringen zij de Schrift door haar tot een gids te maken in slaafse bijzaken van het dagelijks leven en tot een autoriteit in niet-geestelijke zaken, inplaats van een beroep te doen op de heilige schrift als de schatkamer van morele wijsheid, religieuze inspiratie, en het geestelijke onderricht van de Godkennende mensen uit vorige generaties.’

(1769.2) 159:4.11 Natanael kreeg wel klaarheid, maar was ook geschokt door de uitspraken van de Meester. Lange tijd bezon hij zich in de diepten van zijn ziel op dit gesprek, maar hij sprak er met niemand over tot na Jezus’ hemelvaart; en zelfs toen was hij nog bevreesd om volledig verslag te doen van dit onderricht van de Meester.

5. De positieve natuur van de religie van Jezus

(1769.3) 159:5.1 In Filadelfia, waar Jakobus werkzaam was, onderrichtte Jezus de discipelen over de positieve natuur van het evangelie van het koninkrijk. Toen hij in de loop van zijn commentaar liet doorschemeren dat bepaalde gedeelten van de Schrift meer waarheid bevatten dan andere, en hij zijn toehoorders aanried hun ziel het beste geestelijke voedsel voor te zetten, onderbrak Jakobus de Meester met de vraag: ‘Meester, zoudt u zo vriendelijk willen zijn ons een idee te geven hoe wij de beste passages uit de Schrift moeten uitkiezen ten behoeve van onze persoonlijke groei en stichting?’ Waarop Jezus antwoordde: ‘Jazeker, Jakobus, wanneer je in de heilige Schrift leest, zoek dan speciaal naar die leringen die eeuwig waar en goddelijk schoon zijn, zoals:

(1769.4) 159:5.2 ‘Schep in mij een rein hart, o Heer.’
(1769.5) 159:5.3 ‘De Heer is mijn herder; mij zal niets ontbreken.’
(1769.6) 159:5.4 ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.’
(1769.7) 159:5.5 ‘Want Ik, de Heer uw God, grijp uw rechterhand vast; die tot u zeg: vrees niet; Ik zal u helpen.’
(1769.8) 159:5.6 ‘En de volken zullen de oorlog niet meer leren?’

(1769.9) 159:5.7 En dit tekent de manier waarop Jezus zich dag aan dag het uitgelezenste van de Hebreeuwse geschrift toeëigende om zijn volgelingen te onderrichten en om deze leringen op te nemen in het onderricht van het nieuwe evangelie van het koninkrijk. Ook andere religies hadden de gedachte naar voren gebracht dat God de mensen nabij is, maar Jezus stelde de zorg van God voor de mens gelijk aan de bezorgdheid van een liefhebbende vader voor het welzijn van zijn afhankelijke kinderen en maakte dit onderricht vervolgens tot de hoeksteen van zijn religie. En aldus werd door de leer van het vaderschap van God de praktijk van de broederschap der mensen onontkoombaar. De verering van God en het dienen van de mens werd de som en de essentie van zijn religie. Jezus nam het beste uit de Joodse religie tot zich en bracht het over naar de waardige omlijsting van het nieuwe onderricht, het evangelie van het koninkrijk.

(1769.10) 159:5.8 Jezus voerde de geest van positieve activiteit in de passieve leerstellingen van de Joodse godsdienst in. In plaats van het negatieve voldoen aan ceremoniële verplichtingen, verlangde Jezus het positieve doen van datgene wat zijn nieuwe religie vroeg van degenen die haar aanvaardden. De religie van Jezus bestond niet slechts in geloven, doch in het werkelijk doen van datgene wat het evangelie vereiste. Hij onderrichtte niet dat de essentie van zijn religie bestond in het dienen van de medemens, doch veeleer dat sociaal dienstbetoon een van de zekere resultaten was van het bezit van de geest van ware religie.

(1770.1) 159:5.9 Jezus aarzelde niet om het beste gedeelte van een passage uit de Schrift tot het zijne te maken, terwijl hij het minder goede gedeelte afwees. Zijn grote oproep: ‘Heb uw naaste lief als uzelf’, ontleende hij aan de passage uit de Schrift die luidt: ‘Gij zult geen wraak koesteren jegens de kinderen van uw volk, maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.’ Jezus eigende zich het positieve gedeelte van deze bijbeltekst toe, terwijl hij het negatieve gedeelte verwierp. Hij was zelfs gekant tegen negatieve of zuiver passieve geweldloosheid. In dit verband zei hij: ‘Wanneer een vijand u op de ene wang slaat, sta er dan niet suf en lijdelijk bij, maar keer hem met een positieve instelling ook de andere toe; dat wil zeggen, doe al het mogelijke om metterdaad uw dwalende broeder van slechte paden af te brengen en hem op de betere wegen van een rechtvaardig leven te leiden.’ Jezus verlangde van zijn volgelingen dat zij op iedere situatie in het leven positief en met initiatief zouden reageren. Het toekeren van de andere wang, of welke handeling ook die dit moge symboliseren, vraagt initiatief, noodzaakt tot een krachtig, actief en moedig tot uitdrukking brengen van de persoonlijkheid van de gelovige.

(1770.2) 159:5.10 Jezus was geen voorstander van de praktijk van negatieve onderwerping aan vernederingen van de zijde van degenen die opzettelijk misbruik willen maken van mensen die geen weerstand willen bieden tegen kwaad, maar het was veeleer zijn bedoeling dat zijn volgelingen wijs en alert zouden zijn in de snelle, postitieve reactie van goed op kwaad, zodat zij doeltreffend het kwaad met het goede zouden kunnen overwinnen. Vergeet niet dat het waarlijk goede steevast krachtiger is dan het boosaardigste kwaad. De Meester onderrichtte een positieve maatstaf van rechtvaardigheid: ‘Een ieder die mijn discipel wil zijn, moet geen acht slaan op zichzelf, en ten volle zijn verantwoordelijkheid aanvaarden om mij dagelijks na te volgen.’ En zelf leefde hij ‘al goeddoende.’ Dit aspect van het evangelie werd ook goed belicht door vele gelijkenissen die hij zijn volgelingen later vertelde. Hij spoorde zijn volgelingen nooit aan om hun verplichtingen geduldig te dragen, maar veeleer om met energie en enthousiasme hun menselijke verantwoordelijkheden ten volle na te komen en overeenkomstig hun goddelijke voorrechten in het koninkrijk Gods te leven.

(1770.3) 159:5.11 Toen Jezus zijn apostelen leerde dat zij, ingeval iemand wederrechtelijk hun hemd wegnam, hem ook hun andere kledingstuk moesten aanbieden, doelde hij niet zozeer op een tweede hemd in letterlijke zin, als wel op de gedachte iets positiefs te doen om de boosdoener te redden, in plaats van het oude advies om wraak te nemen – ’oog om oog,’ enzovoort. Jezus verafschuwde zowel de idee van vergelding als de idee om alleen maar passief te lijden onder, of het slachtoffer te worden van onrechtvaardigheid. Bij deze gelegenheid leerde hij hun de drie manieren om kwaad te bestrijden en te weerstaan:

(1770.4) 159:5.12 1. kwaad met kwaad vergelden – de positieve maar onrechtvaardige methode;
(1770.5) 159:5.13 2. het kwaad zonder klagen en lijdzaam ondergaan – de zuiver negatieve methode;
(1770.6) 159:5.14 3. kwaad met goed vergelden, de wil laten gelden om de situatie meester te worden, het overwinnen van het kwade met het goede – de positieve en rechtvaardige methode.

(1770.7) 159:5.15 Eén van de apostelen vroeg eens: ‘Meester, wat zou ik moeten doen wanneer een vreemde mij zou dwingen zijn last een kilometer lang voor hem te dragen?’ Jezus antwoordde: ‘Ga niet zitten zuchten om bevrijding van je last, terwijl je de vreemde in stilte verwenst. Uit een dergelijke passieve houding komt geen rechtvaardigheid voort. Als je niets anders kunt bedenken dat een werkelijk positieve uitwerking zou kunnen hebben, kun je ten minste de last nog een tweede kilometer dragen. Dat zal voor die onrechtvaardige, goddeloze vreemdeling zeker een uitdaging betekenen.’

(1770.8) 159:5.16 De Joden hadden van een God gehoord die berouwvolle zondaren wel wilde vergeven en wilde trachten hun slechte daden te vergeten, maar pas bij de komst van Jezus hoorden de mensen van een God die op zoek ging naar het verloren schaap, die zelf het initiatief nam om naar zondaren uit te zien, en die zich verblijdde wanneer hij hen bereid vond naar het huis van de Vader terug te keren. Deze positieve toon breidde Jezus tot zelfs in zijn gebeden uit. En hij zette de negatieve gulden regel om in een positieve opwekking tot menselijke billijkheid.

(1771.1) 159:5.17 In al zijn onderricht vermeed Jezus altijd afleidende details. Hij schuwde bloemrijke taal en vermeed de dichterlijke beeldspraak die niet meer was dan een spel met woorden. Hij was gewoon dingen van grote betekenis in kleine uitdrukkingen te vatten. Om zaken toe te lichten week Jezus dikwijls af van de gangbare betekenis van vele termen, zoals zout, zuurdesem, vissen en kleine kinderen. Hij maakte een hoogst doeltreffend gebruik van de antithese, de tegenstelling, waarbij hij onder andere het zeer kleine vergeleek met het oneindig grote. Zijn beelden waren verrassend, zoals ‘de blinde die de blinde leidt.’ Maar de grootste kracht van zijn aanschouwelijk onderricht was de natuurlijkheid ervan. Jezus haalde de godsdienst uit de hemel omlaag naar de aarde. Hij beschreef de elementaire behoeften van de ziel met nieuw inzicht en een nieuwe schenking van liefde.

6. De terugkeer naar Magadan

(1771.2) 159:6.1 De missie van vier weken in de Dekapolis was tamelijk succesvol. Er werden honderden zielen in het koninkrijk ontvangen en de apostelen en evangelisten deden waardevolle ervaring op door met hun werk door te gaan zonder de inspiratie van de onmiddellijke persoonlijke tegenwoordigheid van Jezus.

(1771.3) 159:6.2 Op vrijdag 16 september, verzamelde het gehele korps werkers zich, zoals tevoren was afgesproken, in het Magadanpark. Op de Sabbatdag werd een beraadslaging gehouden waaraan meer dan honderd gelovigen deelnamen en waar de plannen om het werk van het koninkrijk in de toekomst uit te breiden, grondig werden besproken. De koeriers van David waren er ook en rapporteerden over het welzijn van de gelovigen in geheel Judea, Samaria, Galilea en aangrenzende gebieden.

(1771.4) 159:6.3 Slechts weinigen van Jezus’ volgelingen beseften in die dagen de grote waarde van de diensten van dit koerierskorps. Niet alleen hielden de koeriers de gelovigen in heel Palestina in contact met elkaar, en met Jezus en de apostelen, maar in deze donkere dagen fungeerden zij ook als inzamelaars van geld, niet alleen voor het levensonderhoud van Jezus en zijn metgezellen, maar ook voor de ondersteuning van de families van de twaalf apostelen en de twaalf evangelisten.

(1771.5) 159:6.4 Omstreeks deze tijd verplaatste Abner het centrum van zijn activiteiten van Hebron naar Betlehem, en laatstgenoemde plaats was ook het hoofdkwartier in Judea voor de koeriers van David. David onderhield een nachtdienst tussen Jeruzalem en Betsaïda; de snellopers verlieten Jeruzalem ’s avonds, werden afgelost in Sichar en Skytopolis, en arriveerden dan de volgende ochtend tegen het ontbijt in Betsaïda.

(1771.6) 159:6.5 Jezus en zijn metgezellen maakten zich nu gereed om een week rust te nemen alvorens aan de laatste fase van hun werk voor het koninkrijk te beginnen. Dit was hun laatste rustperiode, want hun missie in Perea groeide uit tot een campagne van prediking en onderricht, die voortduurde tot aan de tijd van hun aankomst te Jeruzalem en de opvoering van de afsluitende episoden van Jezus’ loopbaan op aarde.


Información de fondo

AfdrukkenAfdrukken

Urantia Foundation, 533 W. Diversey Parkway, Chicago, IL 60614, USA
Telefoon: +1-773-525-3319
© Urantia Foundation. Alle rechten voorbehouden