Verhandeling 190 - Morontia-verschijningen van Jezus

   
   Red Jesus Text: Aan | Uit    Paragraaf Nummers: Aan | Uit
AfdrukkenAfdrukkenSend by emailSend by email

Het Urantia Boek

Verhandeling 190

Morontia-verschijningen van Jezus


(2029.1) 190:0.1 DE opgestane Jezus maakt zich nu op om een korte periode op Urantia door te brengen, met het doel de opgaande morontia-loopbaan van een sterveling uit deze gebieden te ervaren. Ofschoon deze periode van het morontia-leven zal worden doorgebracht op de wereld van zijn incarnatie als sterveling, zal zij hoe dan ook in alle opzichten het equivalent zijn van de ervaring van stervelingen uit Satania die het progressieve morontia-leven van de zeven woningwerelden van Jerusem doorlopen.

(2029.2) 190:0.2 Al deze kracht die inherent is in Jezus – de gave des levens – en die hem in staat heeft gesteld uit de dood te verrijzen, is dezelfde gave van eeuwig leven die hij schenkt aan gelovigen in het koninkrijk, en die nu reeds hun opstanding uit de banden van de natuurlijke dood zeker stelt.

(2029.3) 190:0.3 De stervelingen van deze gebieden zullen in de morgen van de opstanding met hetzelfde type overgangs- of morontia-lichaam verrijzen als Jezus toen hij deze zondagochtend opstond uit het graf. Dergelijke lichamen hebben geen circulerend bloed en dergelijke wezens gebruiken geen gewoon materieel voedsel, maar niettmin zijn deze morontia-gedaanten reëel. Toen de verschillende gelovigen Jezus zagen na zijn opstanding, zagen ze hem werkelijk; ze waren niet het slachtoffer van zelfmisleiding, visioenen of hallucinaties.

(2029.4) 190:0.4 Blijvend geloof in de opstanding van Jezus was het hoofdkenmerk van het geloof van alle takken van het eerste onderricht van het evangelie. In Jeruzalem, Alexandrië, Antiochië en Filadelfia waren alle leraren van het evangelie één in dit impliciete geloof in de opstanding van de Meester.

(2029.5) 190:0.5 Wanneer wij de prominente rol beschouwen die Maria Magdalena speelde bij de verkondiging van de opstanding van de Meester, moeten wij daarbij zeggen dat Maria de voornaamste woordvoerster was voor het vrouwenkorps, zoals Petrus dat was voor de apostelen. Maria was niet het hoofd van de vrouwelijke medewerkers, maar ze was wel hun voornaamste lerares en spreekster in het openbaar. Maria was een zeer behoedzame vrouw geworden, en de vrijmoedigheid waarmee ze de man aansprak die zij voor de hovenier van de tuin van Jozef hield, tekent daarom vooral hoe ontzet zij was toen zij het graf leeg aantrof. Het was de diepte en smart van haar liefde, de volheid van haar overgave, die haar een ogenblik lang de conventionele terughoudendheid deed vergeten van een Joodse vrouw om een vreemde man te benaderen.

1. Herauten van de opstanding

(2029.6) 190:1.1 De apostelen wilden niet dat Jezus hen zou verlaten; daarom hadden ze al zijn uitlatingen over zijn sterven gebagatelliseerd, en evenzo zijn beloften om weer te verrijzen. Ze verwachtten de opstanding niet zoals deze plaatsvond, en ze weigerden erin te geloven totdat ze geconfronteerd werden met dwingende, onweerlegbare tekenen, en het absolute bewijs van hun eigen ervaring.

(2030.1) 190:1.2 Toen de apostelen weigerden het verslag te geloven van de vijf vrouwen die beweerden dat ze Jezus hadden gezien en met hem hadden gesproken, keerde Maria Magdalena terug naar het graf, en de anderen gingen terug naar het huis van Jozef, waar ze hun ervaringen meedeelden aan diens dochter en de andere vrouwen. En de vrouwen geloofden wat zij vertelden. Kort na zes uur gingen de dochter van Jozef van Arimatea en de vier vrouwen die Jezus hadden gezien, naar het huis van Nikodemus, waar ze al deze gebeurtenissen verhaalden aan Jozef, Nikodemus, David Zebedeüs en de andere mannen die daar bijeen waren. Nikodemus en de anderen trokken hun verhaal in twijfel, betwijfelden of Jezus uit de dood verrezen was; zij veronderstelden dat de Joden het lichaam hadden weggehaald. Jozef en David waren wel genegen het bericht te geloven, zozeer dat zij zich naar buiten haastten om het graf te onderzoeken, en zij vonden alles zoals de vrouwen het hadden beschreven. En zij waren de laatsten die de grafspelonk zo te zien kregen, want om half acht zond de hogepriester de kapitein van de tempelwacht naar het graf om de grafdoeken te verwijderen. De kapitein wikkelde alle doeken in het linnen laken en wierp ze naar beneden over een steile rots daar in de buurt.

(2030.2) 190:1.3 David en Jozef gingen onmiddellijk van het graf naar het huis van Elija Marcus, waar ze in de bovenzaal een bespreking hadden met de tien apostelen. Johannes Zebedeüs was de enige die er enigszins toe overhelde te geloven dat Jezus uit de dood was verrezen. Petrus had eerst ook geloofd, maar toen hij de Meester niet aantrof, begon hij ernstig te twijfelen. Ze waren alleen bereid te geloven dat de Joden het lichaam hadden weggenomen. David had geen lust om met hen te redetwisten, maar toen hij wegging, zei hij: ‘Jullie zijn de apostelen, en jullie zouden deze dingen moeten begrijpen. Ik wil niet met jullie twisten, maar ik ga nu terug naar het huis van Nikodemus, waar ik met de koeriers heb afgesproken om deze morgen bij elkaar te komen, en wanneer ze er allemaal zijn, zal ik hen met hun laatste boodschap uitzenden, als herauten van de opstanding van de Meester. Ik heb de Meester horen zeggen dat hij, als hij zou sterven, op de derde dag zou opstaan, en ik geloof hem.’ Na deze woorden tot de terneergeslagen, troosteloze ambassadeurs van het koninkrijk, nam David, de man die zichzelf had aangesteld als hoofd van de verbindings- en inlichtingendienst, afscheid van de apostelen. Toen hij de bovenzaal uitliep om naar buiten te gaan, liet hij de buidel van Judas, met de geldmiddelen van de apostelen, in de schoot van Matteüs Levi vallen.

(2030.3) 190:1.4 Om ongeveer half tien arriveerde de laatste van de zesen-twintig koeriers van David bij het huis van Nikodemus. David riep hen meteen bijeen op de ruime binnenplaats en sprak hen als volgt toe:

(2030.4) 190:1.5 ‘Mannen, broeders, al deze tijd hebben jullie mij gediend volgens de eed die jullie mij en elkaar hebt gezworen, en ik roep jullie tot getuige dat ik jullie nog nooit met verkeerde informatie heb uitgestuurd. Ik sta nu op het punt jullie voor de laatste maal uit te zenden als vrijwillige boodschappers van het koninkrijk en hierbij onthef ik jullie van jullie eed en ontbind daarmee het koerierskorps. Mannen, ik verklaar hierbij dat wij ons werk ten einde hebben gebracht. De Meester heeft geen behoefte meer aan sterfelijke boodschappers: hij is uit de dood verrezen. Hij zei ons, voordat ze hem arresteerden, dat hij zou sterven en op de derde dag weer zou opstaan. Ik heb het graf gezien – het is leeg. Ik heb gesproken met Maria Magdalena en vier andere vrouwen die met Jezus hebben gesproken. Ik ontbind nu jullie groep, zeg jullie vaarwel en zend jullie uit naar jullie respectieve bestemmingen, en de boodschap die jullie gelovigen zult overbrengen is: “Jezus is verrezen uit de dood; het graf is leeg.”’

(2030.5) 190:1.6 De meeste aanwezigen probeerden David over te halen dit niet te doen. Hij was echter niet te beïnvloeden. Toen trachtten zij de boodschappers ervan af te brengen, maar die wilden geen acht slaan op deze woorden van twijfel. En dus gingen op deze zondagmorgen, kort voor tien uur, de zesentwintig lopers erop uit als de eerste herauten van het machtige waarheidsfeit van de opgestane Jezus. En zij gingen met deze opdracht op weg zoals ze zo dikwijls met andere opdrachten op weg waren gegaan, in gehoorzaamheid aan hun eed aan David Zebedeüs en aan elkaar. Deze mannen hadden een groot vertrouwen in David. Ze vertrokken met deze opdracht zonder zelfs maar te blijven wachten om te kunnen praten met degenen die Jezus hadden gezien: zij geloofden David op zijn woord. De meesten van hen geloofden wat David hun had verteld, en zelfs degenen die nog enigszins twijfelden, brachten de boodschap even zeker en even vlug over.

(2031.1) 190:1.7 De apostelen, het geestelijke korps van het koninkrijk, zijn deze dag bijeen in de bovenzaal waar zij vrees en twijfel aan de dag leggen, terwijl deze leken, de vertegenwoordigers van de eerste poging tot socialisering van ’s Meesters evangelie van de broederschap der mensen, op last van hun onbevreesde, doortastende leider erop uitgaan om de verrezen Heiland van een hele wereld en een heel universum te verkondigen. En zij gaan deze gedenkwaardige dienst verlenen, nog voordat zijn uitverkoren vertegenwoordigers bereid zijn zijn woord te geloven of het bewijs van ooggetuigen te aanvaarden.

(2031.2) 190:1.8 Deze zesentwintig mannen werden uitgestuurd naar het huis van Lazarus in Betanië en naar alle centra van gelovigen, van Berseba in het zuiden, tot Damascus en Sidon in het noorden, en van Filadelfia in het oosten, tot Alexandrië in het westen.

(2031.3) 190:1.9 Toen David afscheid had genomen van zijn broeders, ging hij naar het huis van Jozef om zijn moeder te halen, en vervolgens liepen zij de stad uit naar Betanië, om zich bij de familie van Jezus te voegen die daar in afwachting verkeerde. David bleef in Betanië bij Marta en Maria, totdat zij hun aardse bezittingen van de hand gedaan hadden, en hij vergezelde hen ook op hun reis toen zij naar Lazarus in Filadelfia gingen.

(2031.4) 190:1.10 Ongeveer een week nadien bracht Johannes Zebedeüs Maria, de moeder van Jezus, naar zijn huis in Betsaïda. Jakobus, de oudste broer van Jezus, bleef bij zijn familie in Jeruzalem. Ruth bleef in Betanië bij de zusters van Lazarus. De rest van Jezus’ familie keerde terug naar Galilea. In het begin van juni, de dag na zijn huwelijk met Ruth, de jongste zuster van Jezus, vertrok David Zebedeüs met Marta en Maria uit Betanië naar Filadelfia.

2. Jezus’ verschijning in Betanië

(2031.5) 190:2.1 Tussen het moment van zijn morontia-opstanding tot aan zijn hemelvaart als geest, verscheen Jezus negentien maal in een zichtbare gestalte aan zijn gelovigen op aarde. Hij verscheen niet aan zijn vijanden, noch aan hen die geen geestelijk nut konden trekken uit zijn manifestatie in zichtbare gestalte. Zijn eerste verschijning was aan de vijf vrouwen bij het graf; zijn tweede aan Maria Magdalena, ook bij het graf.

(2031.6) 190:2.2 De derde verschijning vond op deze zondag rond het middaguur plaats in Betanië. Kort na het middaguur stond Jakobus, de oudste broer van Jezus, in de tuin van Lazarus voor het lege graf van de opgestane broer van Marta en Maria, waar hij zijn gedachten liet gaan over de tijding die hem een uur tevoren door de koerier van David was gebracht. Jakobus was altijd geneigd geweest om in de zending op aarde van zijn oudste broer te geloven, maar hij had al een hele tijd geleden het contact met het werk van Jezus verloren en geleidelijk was hij ernstig gaan twijfelen aan de latere beweringen van de apostelen dat Jezus de Messias was. Door het nieuws dat de koerier had gebracht was de hele familie opgeschrikt en haast verstomd. Juist toen Jakobus voor het lege graf stond, arriveerde Maria Magdalena ter plaatse en begon de familie opgewonden te vertellen over haar ervaringen in de vroege morgen bij het graf van Jozef. Nog voordat ze daarmee klaar was, arriveerden David Zebedeüs en zijn moeder. Natuurlijk geloofde Ruth het bericht, en Judas geloofde het ook toen hij met David en Salome had gesproken.

(2032.1) 190:2.3 Terwijl de familie naar Jakobus zocht, werd deze nog vóór ze hem hadden gevonden, terwijl hij in de tuin bij het graf stond, zich bewust van de aanwezigheid van iemand in zijn nabijheid, alsof deze hem op de schouder had getikt; en toen hij zich omdraaide om te kijken, zag hij geleidelijk een vreemde gestalte naast zich verschijnen. Hij was te verbaasd om iets te zeggen en te bevreesd om te vluchten. En toen sprak de vreemde gestalte en zei: ‘Jakobus, ik kom je tot de dienst van het koninkrijk roepen. Sla oprecht de handen ineen met je broeders en volg mij.’ Toen Jakobus zijn naam hoorde uitspreken, wist hij dat het zijn oudste broer Jezus was, die het woord tot hem richtte. Allen vonden het in mindere of meerdere mate moeilijk om de morontia-gestalte van de Meester te herkennen, maar de meesten hadden niet de minste moeite om zijn stem te herkennen of zijn bekoorlijke persoonlijkheid anderszins te identificeren, wanneer hij eenmaal met hen begon te spreken.

(2032.2) 190:2.4 Toen Jakobus merkte dat Jezus hem toesprak, wilde hij neerknielen en riep uit: ‘Mijn vader en mijn broer,’ maar Jezus verzocht hem te blijven staan tijdens hun gesprek. Bijna drie minuten lang wandelden ze door de tuin en praatten zij samen: zij spraken over belevenissen van vroeger en troffen voorbereidingen voor de gebeurtenissen in de nabije toekomst. Toen ze dichtbij het huis waren, zei Jezus: ‘Vaarwel Jakobus, totdat ik jullie allen tezamen zal begroeten.’

(2032.3) 190:2.5 Jakobus snelde naar binnen terwijl hij nog in Betfage werd gezocht, en riep: `Ik heb zojuist Jezus gezien en met hem gesproken; we hebben met elkaar gepraat. Hij is niet dood, hij is verrezen! Hij verdween voor mijn ogen en zei: ‘Vaarwel tot ik jullie allen tezamen zal begroeten.”’ Hij was nog maar nauwelijks uitgesproken toen Judas terugkwam, en toen vertelde hij terwille van Judas zijn ervaring van de ontmoeting met Jezus in de tuin opnieuw. Ze begonnen nu allemaal te geloven in de opstanding van Jezus. Jakobus kondigde aan dat hij niet naar Galilea zou teruggaan, en David riep uit:’Hij is niet alleen door opgewonden vrouwen gezien; zelfs dappere mannen gaan hem nu zien. Ik denk dat ik hem zelf ook wel zal zien.’

(2032.4) 190:2.6 David hoefde niet lang te wachten, want de vierde verschijning van Jezus voor de ogen van stervelingen vond plaats iets voor twee uur in ditzelfde huis van Marta en Maria, toen hij zichtbaar verscheen aan zijn aardse familie en hun vrienden, twintig in totaal. De Meester verscheen in de open achterdeur en zei: ‘Vrede zij met u. Ik begroet hen die mij eens nabij waren in het vlees en spreek mijn vriendschap uit voor mijn broeders en zusters in het koninkrijk. Hoe hebben jullie kunnen twijfelen? Waarom wachtten jullie zolang voordat jullie verkozen het licht der waarheid van ganser harte te gaan volgen? Komt nu dus allen de gemeenschap binnen van de Geest van Waarheid in het koninkrijk van de Vader.’ Toen zij zich begonnen te herstellen van de eerste schok van hun verbazing en naar voren kwamen als om hem te omhelzen, verdween hij uit hun ogen.

(2032.5) 190:2.7 Ze wilden allemaal haastig naar de stad gaan om de twijfelende apostelen te vertellen wat er gebeurd was, maar Jakobus weerhield hen hiervan. Alleen Maria Magdalena kreeg toestemming om naar het huis van Jozef terug te keren. Jakobus verbood hun om bekendheid te geven aan dit morontia-bezoek vanwege bepaalde dingen die Jezus hem had gezegd tijdens hun gesprek in de tuin. Jakobus heeft echter nooit nadere onthullingen gedaan over zijn onderhoud met de verrezen Meester op deze dag ten huize van Lazarus in Betanië.

3. Ten huize van Jozef

(2033.1) 190:3.1 De vijfde morontia-verschijning van Jezus voor de ogen van stervelingen die hem herkenden, vond op deze zelfde zondagmiddag om ongeveer kwart voor vier plaats ten huize van Jozef van Arimatea, in aanwezigheid van ongeveer vijfentwintig vrouwelijke gelovigen die daar bijeen waren. Maria Magdalena was maar een paar minuten voordat deze verschijning plaatsvond, naar het huis van Jozef teruggekeerd. Jakobus, de broer van Jezus, had verzocht de apostelen niets te zeggen over de verschijning van de Meester te Betanië. Hij had Maria echter niet gevraagd om haar gelovige zusters niet op de hoogte te brengen van deze gebeurtenis. Zodoende begon Maria, nadat ze alle vrouwen eerst geheimhouding had laten beloven, hen te vertellen wat er zo kort geleden was gebeurd, toen ze bij Jezus’ familie in Betanië was. En ze was midden in dit aangrijpende verhaal, toen er plotseling een plechtige stilte viel: zij aanschouwden, staande in hun midden, de volledig zichtbare gestalte van de verrezen Jezus. Hij begroette hen met de woorden: ‘Vrede zij met u. In de gemeenschap van het koninkrijk zal er geen Jood of niet-Jood zijn, geen rijke of arme, geen vrije of slaaf, geen man of vrouw. Ook gij wordt geroepen om het goede nieuws bekend te maken van de vrij- heid van de mensheid door het evangelie van het zoonschap bij God in het koninkrijk des hemels. Ga de hele wereld in om dit evangelie te verkondigen en om degenen die erin geloven, in hun geloof te sterken. Vergeet niet, terwijl ge dit doet, de zieken te helpen en de wankelmoedigen en de vreesachtigen te sterken. En ik zal altijd met u zijn, zelfs tot aan de uiteinden der aarde.’ En toen hij dit gezegd had, verdween hij uit hun ogen, terwijl de vrouwen ter aarde vielen en in stilte God vereerden.

(2033.2) 190:3.2 Van de vijf morontia-verschijningen van Jezus die tot dusver hadden plaatsgevonden, had Maria Magdalena er vier meegemaakt.

(2033.3) 190:3.3 Tengevolge van het uitsturen van de koeriers halverwege de morgen, en door het ongewild uitlekken van aanwijzingen over deze verschijning van Jezus ten huize van Jozef, bereikten de oversten der Joden vroeg in de avond berichten, dat er in de stad werd verteld dat Jezus was verrezen en dat vele mensen beweerden hem te hebben gezien. Deze geruchten schudden de leden van het Sanhedrin ruw wakker. Na haastig overleg met Annas, riep Kajafas een vergadering van het Sanhedrin bijeen om acht uur diezelfde avond. Tijdens deze vergadering werd het besluit genomen om iedereen die gewag maakte van de opstanding van Jezus uit de synagoge te werpen. Er werd zelfs voorgesteld om een ieder die beweerde hem gezien te hebben, ter dood te brengen, maar dit voorstel werd niet in stemming gebracht, omdat de vergadering werd opgebroken in een verwarring die aan daadwerkelijke paniek grensde. Zij hadden durven denken dat ze met Jezus klaar waren. Zij stonden op het punt te ontdekken dat hun werkelijke moeilijkheden met de man van Nazaret nog maar pas waren begonnen.

4. Verschijning aan de Grieken

(2033.4) 190:4.1 Omstreeks half vijf vond de zesde morontia-verschijning van de Meester plaats, aan ongeveer veertig Griekse gelovigen die bijeen waren gekomen ten huize van een zekere Flavius. Terwijl ze met elkaar spraken over de berichten aangaande de opstanding van de Meester, vertoonde hij zich in hun midden, ondanks het feit dat de deuren zorgvuldig op slot waren gedaan, en hij sprak tot hen:’Vrede zij met u. Hoewel de Zoon des Mensen op aarde onder de Joden is verschenen, kwam hij om alle mensen te dienen. In het koninkrijk mijns Vaders zullen er noch Joden noch niet-Joden zijn: ge zult allen broeders zijn – zonen van God. Ga daarom uit in de hele wereld en verkondig dit evangelie des heils zoals ge het ontvangen hebt van de ambassadeurs van het koninkrijk, en ik zal uw vriend zijn in de broederschap van geloof en waarheid van de zonen des Vaders.’ En toen hij hun deze opdracht had gegeven, nam hij afscheid en zagen zij hem niet meer. Ze bleven de gehele avond binnenshuis; ze waren te zeer door ontzag en vrees overmand om erop uit te durven gaan. Ook sliep die nacht geen van de Grieken; zij bleven wakker en bespraken deze zaken, in de hoop dat de Meester hen opnieuw zou bezoeken. In deze groep bevonden zich velen van de Grieken die te Getsemane waren toen de soldaten Jezus arresteerden en Judas hem verried met een kus.

(2034.1) 190:4.2 Geruchten over de opstanding van Jezus en berichten over de vele verschijningen aan zijn volgelingen verspreiden zich nu snel, en de hele stad raakt in de grootste opwinding. De Meester is nu reeds verschenen aan zijn familie, aan de vrouwen, en aan de Grieken, en kort hierna zal hij zich manifesteren te midden der apostelen. Het Sanhedrin gaat nu spoedig deze nieuwe problemen, die zich zo plotseling hebben opgedrongen aan de oversten der Joden, overwegen. Jezus denkt veel aan zijn apostelen, maar wenst dat zij nog een paar uur aan zichzelf worden overgelaten om ernstig na te denken en zorgvuldig alles te overwegen, alvorens hij hen bezoekt.

5. De wandeling met de twee broeders

(2034.2) 190:5.1 In Emmaüs, ongeveer tien kilometer ten westen van Jeruzalem, woonden twee broers, schaapherders, die de Paasweek in Jeruzalem hadden doorgebracht. Cleopas, de oudste van de twee, geloofde half en half in Jezus, hij was althans uit de synagoge geworpen. Zijn broer Jakob geloofde niet, ofschoon hij zeer geboeid was door wat hij had gehoord over het onderricht en het werk van Jezus.

(2034.3) 190:5.2 Op deze zondagnamiddag, even vóór vijf uur, ongeveer vijf kilometer buiten Jeruzalem, terwijl ze vermoeid over de weg naar Emmaüs liepen, spraken deze broers zeer ernstig over Jezus, zijn onderricht, zijn werk en in het bijzonder over de geruchten dat zijn graf leeg was, en dat bepaalde vrouwen met hem hadden gesproken. Cleopas was min of meer geneigd deze berichten te geloven, maar Jakob hield vol dat de hele geschiedenis waarschijnlijk bedrog was. Terwijl ze zo debatteerden en discussieerden op weg naar huis, kwam de morontia-verschijning van Jezus, die zich nu voor de zevende keer manifesteerde, naast hen lopen, terwijl zij voortgingen. Cleopas had Jezus dikwijls onderricht horen geven en had bij verschillende gelegenheden met hem gegeten ten huize van gelovigen in Jeruzalem. Hij herkende de Meester echter niet, zelfs niet toen deze vrijelijk met hen sprak.

(2034.4) 190:5.3 Toen hij een eindje met hen was meegelopen, zei Jezus: ‘Waarover spraken jullie zo ernstig met elkaar toen ik jullie trof?’ En toen Jezus dit gezegd had, stonden ze stil en keken hem verbaasd en verdrietig aan. Cleopas zei: ‘Hoe is het mogelijk dat ge in Jeruzalem verblijft en niet weet welke gebeurtenissen zich daar kortgeleden hebben afgespeeld?’ Daarop vroeg de Meester: ‘Welke gebeurtenissen?’ Cleopas antwoordde: ‘Als ge niets van deze zaken afweet, zijt ge de enige in Jeruzalem die deze geruchten over Jezus van Nazaret niet heeft gehoord, over deze Jezus die een profeet was, machtig in woorden en daden in de ogen van God en alle mensen. De overpriesters en onze bestuurders hebben hem aan de Romeinen uitgeleverd en geëist dat dezen hem zouden kruisigen. En velen van ons hadden nu juist gehoopt dat hij degene zou zijn die Israel zou bevrijden van het juk der heidenen. Maar dat is nog niet alles. Het is nu de derde dag na zijn kruisiging en zekere vrouwen hebben ons vandaag verbijsterd door te verklaren dat ze heel vroeg vanmorgen naar zijn graf zijn gegaan en het leeg hebben aangetroffen. Deze zelfde vrouwen beweren nadrukkelijk dat zij met deze man hebben gesproken en houden vol dat hij uit de dood is verrezen. En toen de vrouwen dit aan de mannen berichtten, zijn twee van zijn apostelen naar het graf gerend en en hebben zij ook gezien dat het leeg was’ – en hier onderbrak Jakob zijn broer door te zeggen, ‘maar ze zagen Jezus niet.’

(2035.1) 190:5.4 Toen ze weer doorliepen, zei Jezus tot hen: ‘Wat begrijpt ge de waarheid langzaam! Nu ge me vertelt dat jullie gesprek ging over het onderricht en het werk van deze man, kan ik jullie opheldering geven, want ik ben maar al te goed bekend met dit onderricht. Herinnert ge u niet dat deze Jezus altijd leerde dat zijn koninkrijk niet van deze wereld was en dat alle mensen, omdat zij zonen van God zijn, vrijheid en bevrijding moeten vinden in de geestelijke vreugde van de vriendschap in de broederschap die liefdevol dient in dit nieuwe koninkrijk van de waarheid van de liefde van de hemelse Vader? Herinnert ge u niet hoe deze Zoon des Mensen het heil van God voor alle mensen verkondigde, terwijl hij de zieken en de bedroefden hielp en degenen die bevangen waren door vrees en geknecht door het kwaad, in vrijheid stelde? Weet ge niet dat deze man uit Nazaret zijn discipelen vertelde dat hij naar Jeruzalem moest gaan om overgeleverd te worden aan zijn vijanden die hem ter dood zouden brengen, en dat hij op de derde dag zou verrijzen? Is jullie dit alles niet gezegd? En hebt ge nooit in de Schrift gelezen over deze dag des heils voor Joden en niet-Joden, waar geschreven staat dat in hem alle volkeren der aarde gezegend zullen worden; dat hij het roepen der behoeftigen zal horen en de zielen der armen die hem zoeken zal redden; dat alle natiën der aarde hem de gezegende zullen noemen? Dat deze Bevrijder zal zijn als de schaduw van een hoge rots in een dor land. Dat hij de kudde zal weiden als een ware herder, de lammeren in zijn armen zal nemen en hen zachtkens aan zijn hart zal dragen. Dat hij de ogen der geestelijk blinden zal openen, en degenen die in wanhoop zijn gevangen, naar buiten zal leiden in de volle vrijheid en in het licht; dat allen die in duisternis zijn gezeten het grote licht van het eeuwige heil zullen zien. Dat hij de gebrokenen van hart zal verbinden, vrijheid zal verkondigen aan hen die de gevangenen zijn van zonde, en de gevangenis zal openen voor degenen die geknecht zijn door vrees en gebonden door het kwaad. Dat hij degenen die treuren zal vertroosten en de vreugde des heils over hen zal uitstorten, in de plaats van verdriet en een bezwaard gemoed. Dat hij het verlangen van alle natiën zal zijn, en de eeuwigdurende vreugde van hen die rechtvaardigheid zoeken. Dat de- ze Zoon van waarheid en rechtvaardigheid over de wereld zal opgaan met genezend licht en reddende kracht; ja, dat hij zijn volk zal redden van hun zonden; dat hij hen die verdwaald waren, werkelijk zal zoeken en redden. Dat hij de zwakken niet zal vernietigen, maar heil zal brengen aan allen die hongeren en dorsten naar rechtvaardigheid. Dat zij die in hem geloven, het eeuwige leven zullen hebben. Dat hij zijn geest zal uitstorten op alle vlees en dat in een ieder die gelooft zijn Geest van Waarheid een bron van water zal zijn dat opwelt tot in het eeuwig leven. Hebt ge niet begrepen hoe groots het evangelie van het koninkrijk was dat deze mens jullie heeft gebracht? Ziet ge niet welk een groot heil tot u gekomen is?’

(2035.2) 190:5.5 Ze waren nu dicht bij het dorp gekomen waar de broers woonden. Geen woord hadden deze twee mannen gesproken sinds het ogenblik dat Jezus was begonnen hen te onderrichten, terwijl zij hun weg vervolgden. Al spoedig hielden ze stil voor hun eenvoudige woning en Jezus wilde afscheid van hen nemen en verder gaan, maar zij noopten hem binnen te komen en bij hen te blijven. Ze hielden vol dat het spoedig donker zou zijn en dat hij bij hen moest overnachten. Tenslotte stemde Jezus toe, en heel spoedig nadat zij naar binnen waren gegaan, gingen ze zitten om te eten. Ze gaven hem het brood om het te zegenen, en toen hij begon het te breken en het hun aan te reiken, werden hun ogen geopend en zag Cleopas dat hun gast de Meester zelf was. En toen hij zei ‘Het is de Meester...’ verdween de morontia-Jezus uit hun ogen.

(2036.1) 190:5.6 En toen zeiden ze tegen elkaar: ‘Geen wonder dat onze harten brandende waren in ons, toen hij met ons sprak terwijl we onderweg waren! en toen hij de leringen van de Schrift opende voor ons verstand!’

(2036.2) 190:5.7 Zij wilden niet thuis blijven om eerst te eten. Ze hadden de morontia-Meester gezien en snelden het huis uit, terug naar Jeruzalem om daar het goede nieuws te verspreiden van de verrezen Heiland.

(2036.3) 190:5.8 Die avond om ongeveer negen uur, kort voordat de Meester aan de tien verscheen, onderbroken deze twee opgewonden broers de apostelen in de bovenzaal met de verklaring dat zij Jezus hadden ontmoet en met hem hadden gesproken. En zij vertelden al hetgeen Jezus hun had gezegd en hoe zij niet hadden gezien wie hij was tot het moment van het breken van het brood.


Información de fondo

AfdrukkenAfdrukken

Urantia Foundation, 533 W. Diversey Parkway, Chicago, IL 60614, USA
Telefoon: +1-773-525-3319
© Urantia Foundation. Alle rechten voorbehouden