Verhandeling 137 - De wachttijd in Galilea

   
   Red Jesus Text: Aan | Uit    Paragraaf Nummers: Aan | Uit
AfdrukkenAfdrukkenSend by emailSend by email

Het Urantia Boek

Verhandeling 137

De wachttijd in Galilea

(1524.1) 137:0.1 IN de vroege ochtend van zaterdag, 23 februari, a.d. 26, daalde Jezus af uit de heuvels om zich weer bij het gezelschap van Johannes te voegen, dat zijn tenten bij Pella had opgeslagen. Gedurende die gehele dag mengde Jezus zich onder de menigte. Hij verzorgde een jongeman die bij een val gewond was geraakt en ging met hem naar het nabijgelegen dorp Pella om de jongen veilig bij zijn ouders af te leveren.

(1524.2) 137:1.1 Op deze Sabbatdag brachten twee van de vooraanstaande discipelen van Johannes lange tijd met Jezus door. Van alle volgelingen van Johannes was een zekere Andreas het sterkst van Jezus onder de indruk gekomen; hij vergezelde hem ook op de tocht met de gewonde jongen naar Pella. Op de terugweg naar de verzamelplaats van Johannes stelde hij Jezus vele vragen en voordat zij hun bestemming bereikten, hielden de twee even stil voor een kort gesprek, waarin Andreas zei: ‘Ik heb je gadegeslagen sinds je naar Kafarnaüm bent gekomen, en ik geloof dat je de nieuwe Leraar bent; hoewel ik niet al hetgeen je onderricht kan begrijpen, heb ik definitief besloten je te volgen. Ik zou graag aan je voeten willen zitten en de volle waarheid over het nieuwe koninkrijk willen horen.’ Met hartelijke zekerheid verwelkomde Jezus Andreas als de eerste van zijn apostelen, de groep van twaalf die samen met hem zou- den arbeiden in het werk om het nieuwe koninkrijk Gods op te richten in de harten der mensen.

(1524.3) 137:1.2 Andreas observeerde in stilte het werk van Johannes en geloofde oprecht in hem; hij had een zeer begaafde, enthousiaste broer die Simon heette en een van Johannes’ voornaamste volgelingen was. Het zou niet onjuist zijn te zeggen dat Simon een van de belangrijkste medestanders was van Johannes.

(1524.4) 137:1.3 Spoedig nadat Jezus en Andreas in het kamp waren teruggekeerd, zocht Andreas zijn broer Simon op, nam hem apart en vertelde hem dat hij bij zichzelf tot de conclusie was gekomen dat Jezus de grote Leraar was, en dat hij beloofd had zijn discipel te worden. Hij zei verder dat Jezus zijn aanbod om hem te dienen had aanvaard, en stelde voor dat hij (Simon) eveneens naar Jezus zou gaan en zou aanbieden toe te treden tot de dienst voor het nieuwe koninkrijk. Simon zei: ‘Sinds deze man in de werkplaats van Zebedeüs is komen werken, heb ik steeds geloofd dat hij door God gezonden was, maar wat doen we met Johannes? Moeten wij hem in de steek laten? Is dat wel juist?’ Hierop spraken zij af onmiddellijk samen naar Johannes te gaan om met hem te overleggen. Johannes was bedroefd bij de gedachte twee van zijn bekwame raadgevers en veelbelovende discipelen te verliezen, maar dapper beantwoordde hij hun vragen en zei: ‘Dit is pas het begin: mijn werk zal weldra ten einde lopen en dan zullen wij allen zijn discipelen worden.’ Daarna wenkte Andreas Jezus terzijde en vertelde hem dat zijn broer zich bij hen wenste aan te sluiten om in het nieuwe koninkrijk te dienen. En toen Jezus Simon verwelkomde als zijn tweede apostel, zei hij: ‘Simon, je enthousiasme is prijzenswaardig, maar het is gevaarlijk voor de arbeid voor het koninkrijk. Ik vermaan je bedachtzamer te worden in je spreken. Ik zou je naam willen veranderen in Petrus.’

(1525.1) 137:1.4 De ouders van de gewonde knaap die in Pella woonden, hadden er bij Jezus op aangedrongen de nacht bij hen thuis door te brengen, om hun huis als het zijne te beschouwen, en hij had dit beloofd. Voordat Jezus van Andreas en zijn broer afscheid nam, zei hij: ‘Morgenochtend vroeg gaan wij naar Galilea.’

(1525.2) 137:1.5 Toen Jezus naar Pella was teruggegaan om daar de nacht door te brengen, en Andreas en Simon nog de aard van hun dienst bij de vestiging van het komende koninkrijk bespraken, verschenen de zonen van Zebedeüs, Jakobus en Johannes, ten tonele, die juist uit de bergen waren teruggekeerd van hun lange, vergeefse speurtocht naar Jezus. Toen zij Simon Petrus hoorden vertellen hoe hij en zijn broer Andreas de eerste aangenomen raadslieden van het nieuwe koninkrijk waren geworden, en dat zij de volgende dag met hun nieuwe Meester naar Galilea zouden vertrekken, waren Jakobus en Johannes beiden verdrietig. Zij kenden Jezus al een tijd en hielden van hem. Zij hadden vele dagen in de bergen naar hem gezocht, en nu ze terug waren, moesten ze horen dat anderen waren verkozen vóór hen. Zij informeerden waar Jezus heen was gegaan en haastten zich om hem te gaan opzoeken.

(1525.3) 137:1.6 Jezus sliep toen zij bij zijn verblijf aankwamen, maar zij maakten hem wakker en zeiden: ‘Hoe komt het dat je, terwijl wij die al zo lang met je hebben opgetrokken en in de bergen naar je hebben lopen zoeken, aan anderen de voorkeur hebt gegeven en Andreas en Simon als je eerste metgezellen in het nieuwe koninkrijk hebt uitgekozen?’ Jezus antwoordde hun: ‘Kalmeer je hart en vraag je af “wie heeft je opdracht gegeven om de Zoon des Mensen te gaan zoeken toen hij bezig was met de zaken van zijn Vader?”’ Nadat zij tot in details verslag hadden gedaan van hun lange speurtocht in de bergen, vervolgde Jezus met de raadgeving: ‘Jullie moeten leren het geheim van het nieuwe koninkrijk in je hart te zoeken, en niet in de bergen. Datgene wat jullie zochten was reeds in jullie ziel aanwezig. Jullie zijn inderdaad mijn broeders – het was niet nodig dat jullie door mij aangenomen zouden worden – jullie hoorden al bij het koninkrijk; weest welgemoed en maken jullie je ook gereed om morgen met ons mee te gaan naar Galilea.’ Daarop verstoutte Johannes zich om te vragen: ‘Maar Meester, zullen Jakobus en ik dan je medewerkers zijn in het nieuwe koninkrijk net als Andreas en Simon?’ Jezus legde zijn handen op hun beider schouders en zei: ‘Broeders, jullie waren reeds met mij in de geest van het koninkrijk, zelfs voordat de anderen verzochten om te worden opgenomen. Broeders, jullie behoeven niet te vragen tot het koninkrijk te worden toegelaten; jullie zijn vanaf het begin met mij in het koninkrijk geweest. In de ogen der mensen mogen anderen misschien eerder zijn geweest dan jullie, maar in mijn hart rekende ik jullie ook tot de leden van de raadsvergaderingen van het koninkrijk, zelfs vóór jullie er nog aan dachten mij dit te vragen. En zelfs tegenover de buitenwereld zouden jullie de eersten hebben kunnen zijn, ware het niet dat jullie afwezig waren vanwege jullie goedbedoelde, maar zelf opgelegde taak om iemand te gaan zoeken die niet verdwaald was. Richt in het komende koninkrijk je aandacht niet op dingen die je bezorgdheid voeden, maar zet je liever altijd in voor het doen van de wil van de Vader die in de hemel is.’

(1525.4) 137:1.7 Jakobus en Johannes vatten de berisping op de goede manier op: nadien waren zij nooit meer jaloers op Andreas en Simon. Samen met hun twee medeapostelen maakten zij zich gereed om de volgende morgen naar Galilea te vertrekken. Van deze dag af aan werd de benaming apostel gebruikt om onderscheid te maken tussen de familie van adviseurs die Jezus had uitgekozen en de enorme menigte gelovige discipelen die hem later volgde.

(1525.5) 137:1.8 Die avond laat hadden Jakobus, Johannes, Andreas, en Simon nog een bespreking met Johannes de Doper, en met tranen in zijn ogen, doch met vaste stem stond de dappere profeet uit Judea twee van zijn vooraanstaande discipelen af om apostelen te worden van de Galilese Vorst van het komende koninkrijk.

(1526.1) 137:2.1 Op zondagmorgen, 24 februari, a.d. 26, nam Jezus aan de rivier bij Pella afscheid van Johannes de Doper, om hem nooit meer terug te zien in het vlees.

(1526.2) 137:2.2 Die dag, toen Jezus en zijn vier discipelen-apostelen naar Galilea vertrokken, ontstond er grote opschudding in het kamp van de volgelingen van Johannes. De eerste grote afscheiding stond te gebeuren. Daags tevoren had Johannes positief verklaard aan Andreas en Ezra dat Jezus de Verlosser was. Andreas besloot Jezus te volgen, maar Ezra verwierp de timmerman uit Nazaret met zijn zachtaardige manieren en verkondigde aan zijn metgezellen: ‘De Profeet Daniël zegt dat de Zoon des Mensen zal komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. Deze timmerman uit Galilea, deze botenbouwer uit Kafarnaüm, kan de Verlosser niet zijn. Kan zo’n geschenk Gods uit Nazaret komen? Deze Jezus is een familielid van Johannes, en vanwege zijn grote vriendelijkheid des harten is onze leraar misleid. Laten wij ons verre houden van deze valse Messias.’ Toen Johannes Ezra berispte om deze woorden, trok deze samen met vele discipelen weg en haastte zich naar het zuiden. Deze groep ging voort te dopen in de naam van Johannes en stichtte uiteindelijk een secte die wel geloofde in Johannes, maar weigerde Jezus te aanvaarden. Een overblijfsel van deze groep bestaat in Mesopotamië nog tot op de dag van vandaag.

(1526.3) 137:2.3 Terwijl deze onrust onder de volgelingen van Johannes broeide, waren Jezus en zijn vier discipel-apostelen reeds een eind onderweg naar Galilea. Vóór ze de Jordaan overstaken om via Naïn naar Nazaret te gaan, zag Jezus op de weg een zekere Filippus van Betsaïda, die hen tegemoet kwam met een vriend. Jezus had Filippus reeds eerder leren kennen en ook de nieuwe apostelen kenden hem alle vier goed. Hij was met zijn vriend Natanael op weg om Johannes te Pella bezoeken, om meer te weten te komen omtrent de komst van het koninkrijk Gods waarvan zoveel sprake was, en hij was opgetogen Jezus te kunnen begroeten. Filippus was al vanaf het begin dat Jezus naar Kafarnaüm was gekomen, een bewonderaar van hem geweest. Maar Natanael die te Kana in Galilea woonde, kende Jezus niet. Filippus ging naar zijn vrienden toe om hen te begroeten, terwijl Natanael uitrustte in de schaduw van een boom langs de weg.

(1526.4) 137:2.4 Petrus nam Filippus terzijde en begon hem uit te leggen dat zij allen, hijzelf, Andreas, Jacobus, en Johannes, medewerkers van Jezus waren geworden in het nieuwe koninkrijk, en hij drong er bij Filippus sterk op aan zich ook aan te bieden voor deze dienst. Filippus stond voor een dilemma. Wat moest hij doen? Hier, zonder dat het ook maar een enkel ogenblik tevoren was aangekondigd – langs de weg bij de Jordaan – zag hij zich tegenover de allergewichtigste vraag van zijn gehele leven gesteld, en moest hij direct een beslissing nemen. Hij was op dat ogenblik in ernstig gesprek geraakt met Petrus, Andreas, en Johannes, terwijl Jezus de hoofdlijnen van de tocht door Galilea en verder naar Kafarnaüm aangaf aan Jakobus. Ten slotte stelde Andreas aan Filippus voor: ‘Waarom vraag je het de Leraar niet?’

(1526.5) 137:2.5 Plotseling daagde het besef bij Filippus dat Jezus werkelijk een groot man was, misschien wel de Messias, en hij besloot zich te houden aan de beslissing van Jezus in deze zaak; zonder meer liep hij dan ook naar hem toe en vroeg: ‘Leraar, zal ik verder gaan naar Johannes of zal ik mij bij mijn vrienden aansluiten die u volgen?’ En Jezus antwoordde: ‘Volg mij.’ En Filippus was in vervoering door de zekerheid dat hij de Verlosser gevonden had.

(1526.6) 137:2.6 Filippus gebaarde nu de groep te blijven waar ze waren, terwijl hij haastig terugliep om het nieuws van zijn besluit te vertellen aan zijn vriend Natanael die nog steeds wachtte onder de moerbeiboom, waar hij zijn gedachten liet gaan over de vele dingen die hij gehoord had over Johannes de Doper, het komende koninkrijk en de verwachte Messias. Filippus onderbrak zijn overpeinzingen met de uitroep: ‘Ik heb de Verlosser gevonden, hij over wie Mozes en de profeten geschreven hebben en die Johannes heeft aangekondigd.’ Natanael keek op en vroeg: ‘Waar komt deze leraar vandaan?’ Filippus antwoordde: ‘Het is Jezus van Nazaret, de zoon van Jozef, de timmerman, die de laatste tijd in Kafarnaüm woont.’ Waarop Natanael, enigszins geschokt vroeg: ‘Kan zoiets goeds uit Nazaret komen?’ Maar Filippus nam hem bij de arm en zei: ‘Kom kijken.’

(1527.1) 137:2.7 Filippus bracht Natanael naar Jezus, die de oprechte twijfelaar welwillend aankeek en zei: ‘Ziedaar een echte Israeliet, in wie geen bedrog is. Volg mij.’ Natanael keerde zich tot Filippus en zei: ‘Je hebt gelijk. Hij is inderdaad een meester der mensen. Ik zal hem ook volgen, indien ik waardig ben dat te doen.’ En Jezus knikte Natanael toe en zei opnieuw: ‘Volg mij.’

(1527.2) 137:2.8 Jezus had nu de helft van zijn toekomstige korps van nauw met hem verbonden medewerkers bijeengebracht, vijf die hem al enige tijd kenden en één vreemdeling, Natanael. Zonder verder uitstel staken ze de Jordaan over en bereikten, via het dorp Naïn, laat in de avond Nazaret.

(1527.3) 137:2.9 Ze overnachtten allen bij Jozef in het huis waar Jezus zijn jongenstijd had doorgebracht. De metgezellen van Jezus hadden er geen idee van waarom hun nieuw gevonden leraar er zo op gebrand was ieder spoor te vernietigen van teksten die hij had opgeschreven en die nog op verschillende plaatsen in het huis hingen, zoals de Tien Geboden en andere motto’s en gezegden. Doch deze handeling, gevoegd bij het feit dat zij hem later nooit zagen schrijven – behalve in het stof of in het zand – maakte een diepe indruk op hen.

(1527.4) 137:3.1 De volgende dag zond Jezus zijn apostelen verder naar Kana, aangezien ze allen waren uitgenodigd voor de bruiloft van een vooraanstaande jonge vrouw in die stad, terwijl hij zich zelf gereedmaakte om een haastig bezoek te brengen aan zijn moeder te Kafarnaüm, en onderweg in Magdala zijn broer Judas op te zoeken.

(1527.5) 137:3.2 Voor hun vertrek uit Nazaret vertelden de nieuwe metgezellen van Jezus aan Jozef en andere leden van Jezus’ familie over de wonderlijke gebeurtenissen die toen zo kortgeleden hadden plaatsgevonden, en gaven zij vrijelijk uiting aan hun geloof dat Jezus de lang verwachte verlosser was. Deze leden van Jezus’ familie bespraken dit alles en Jozef zei: ‘Misschien had Moeder per slot van rekening toch gelijk – misschien is onze vreemde broer de komende koning.’

(1527.6) 137:3.3 Judas was aanwezig geweest bij de doop van Jezus, en hij, en zijn broer Jakobus, waren vast gaan geloven in de zending van Jezus op aarde. Ofschoon Jakobus en Judas beiden in grote verwarring verkeerden over de aard van de missie van hun broer, was bij hun moeder haar vroegere hoop herleefd dat Jezus de Messias, de zoon van David zou zijn, en zij moedigde haar zoons aan om in hun broer te geloven als de bevrijder van Israel.

(1527.7) 137:3.4 Jezus kwam maandagavond in Kafarnaüm aan, maar hij ging niet naar zijn eigen huis, waar Jakobus en zijn moeder woonden: hij ging rechtstreeks naar het huis van Zebedeüs. Al zijn vrienden in Kafarnaüm merkten een grote en prettige verandering in hem. Hij leek weer tamelijk opgewekt en meer zoals hij gedurende zijn vroegere jaren te Nazaret was geweest. Jaren voor zijn doop en de perioden van afzondering vlak daarvoor en daarna, was hij steeds ernstiger geworden en meer in zichzelf gekeerd. Nu vonden allen dat hij weer geheel de oude was. Hij had iets van majestueus gewicht over zich en een verheven voorkomen, maar hij was weer onbezorgd en blij.

(1528.1) 137:3.5 Maria was ontroerd en vol verwachting. Ze had een voorgevoel dat de belofte van Gabriël spoedig in vervulling zou gaan. Ze verwachtte dat geheel Palestina spoedig zou opschrikken en versteld zou staan door de wonderbaarlijke openbaring van haar zoon als de bovennatuurlijke koning der Joden. Maar op de vele vragen van zijn moeder, Jacobus, Judas, en Zebedeüs, antwoordde Jezus alleen glimlachend: ‘Het is beter dat ik nog een poosje hier blijf; ik moet doen wat mijn Vader in de hemel wil.’

(1528.2) 137:3.6 De volgende dag, dinsdag, reisden ze allen naar Kana voor de bruiloft van Naomi, die de volgende dag zou plaatsvinden. En ondanks de herhaalde waarschuwingen van Jezus dat ze met niemand over hem moesten spreken ‘totdat het uur van de Vader gekomen zou zijn,’ stonden zij erop om heimelijk het nieuws te verspreiden dat ze de Verlosser gevonden hadden. Ieder van hen verwachtte vol vertrouwen dat Jezus op de aanstaande bruiloft te Kana het tijdperk zou inluiden waarin hij het Messiaanse gezag zou gaan uitoefenen, en dat hij dit met grote kracht en verheven grootsheid zou doen. Ze dachten aan wat hun verteld was over de verschijnselen die zich hadden voorgedaan bij zijn doop, en ze geloofden dat zijn verdere loopbaan op aarde gekenmerkt zou worden door steeds meer manifestaties van bovennatuurlijke wonderen en mirakuleuze tekenen. En dus maakte de hele streek zich gereed om te Kana bijeen te komen voor de bruiloft van Naomi en Joab, de zoon van Natan.

(1528.3) 137:3.7 Maria was in jaren niet zo vreugdevol geweest. Ze reisde naar Kana in de gemoedsstemming van een koningin-moeder die op weg is om de kroning van haar zoon bij te wonen. De familie en vrienden van Jezus hadden hem sedert zijn dertiende jaar nog nooit zo onbezorgd en gelukkig gezien, met zoveel aandacht en begrip voor de wensen en verlangens van zijn metgezellen, zo roerend meevoelend. Zo stonden ze in kleine groepjes met elkaar te fluisteren en vroegen zich af wat er zou gaan gebeuren. Wat zou de volgende daad van deze ongewone mens zijn? Hoe zou hij de heerlijkheid van het komende koninkrijk inluiden? Allen waren opgewonden bij de gedachte dat zij aanwezig zouden zijn om de openbaring van de macht en kracht van Israels God te aanschouwen.

(1528.4) 137:4.1 Woensdag, tegen het middaguur, waren er bijna duizend gasten te Kana aangekomen, meer dan viermaal het aantal dat was uitgenodigd voor het huwelijksfeest. Het was een Joods gebruik om huwelijksfeesten op woensdag te houden, en de uitnodigingen voor de bruiloft waren een maand tevoren uitgezonden. In de voormiddag en het begin van de namiddag leek het er meer op dat er een openbare receptie voor Jezus gegeven werd dan een bruiloft. Iedereen wilde deze bijna-beroemde Galileeër begroeten, en hij was allerhartelijkst voor allen, jong en oud, Jood en niet-Jood. En iedereen was verheugd toen Jezus erin toestemde voorop te gaan in de stoet die aan de huwelijksvoltrekking voorafging.

(1528.5) 137:4.2 Jezus was zich nu terdege bewust van zijn bestaan als mens, van zijn goddelijke voor-bestaan, en van de status van zijn gecombineerde, of gefuseerde, menselijke en goddelijke naturen. Op volmaakt beheerste wijze kon hij het ene moment optreden als mens, en ogenblikkelijk daarna de persoonlijkheids-prerogatieven van zijn goddelijke natuur laten gelden.

(1528.6) 137:4.3 Naarmate de dag verstreek, werd Jezus zich steeds meer bewust dat de mensen van hem verwachtten dat hij een wonder zou doen; meer in het bijzonder zag hij dat zijn familie en zijn zes discipel-apostelen hoopten dat hij op gepaste wijze zijn nabije koninkrijk zou aankondigen door middel van een of andere verbazingwekkende en bovennatuurlijke manifestatie.

(1529.1) 137:4.4 In het begin van de middag riep Maria Jakobus bij zich en samen verstoutten ze zich Jezus te benaderen en te vragen of hij hen zover in zijn vertrouwen wilde nemen, dat hij hun zou vertellen op welk uur en op welk punt in verband met de huwelijksplechtigheden hij besloten had zichzelf te openbaren als de ‘bovennatuurlijke’. Nauwelijks hadden ze deze zaken bij Jezus aangeroerd of ze zagen dat zij zijn karakteristieke verontwaardiging hadden opgewekt. Hij zei alleen: ‘Indien jullie mij liefhebben, wees dan bereid met mij te wachten zolang ik wacht op de wil van mijn Vader die in de hemel is.’ Maar de welsprekendheid van zijn berisping lag in de uitdrukking van zijn gelaat.

(1529.2) 137:4.5 Deze stap van zijn moeder was een grote teleurstelling voor de mens Jezus, en hij werd zeer ernstig gestemd door zijn reactie op haar suggestieve voorstel dat hij zich zou veroorloven zich over te geven aan de een of andere uiterlijke demonstratie van zijn goddelijkheid. Dit was nu juist een van de dingen die hij besloten had niet te doen, toen hij zich nog zo kort geleden had afgezonderd in de bergen. Een paar uur lang was Maria zeer terneergeslagen. Zij zei tegen Jakobus: ‘Ik kan hem niet begrijpen; wat mag dit alles te betekenen hebben? Komt er dan geen einde aan zijn vreemde gedrag?’ Jakobus en Judas probeerden hun moeder te troosten, terwijl Jezus zich terugtrok om een uur alleen te zijn. Maar hij kwam weer terug bij het gezelschap en was opnieuw opgewekt en vrolijk.

(1529.3) 137:4.6 De huwelijksvoltrekking verliep in een verwachtingsvolle stilte, maar de gehele ceremonie kwam ten einde en nog steeds had de geëerde gast niets gedaan, niets gezegd. Toen werd er rondgefluisterd dat de timmerman en botenbouwer, door Johannes aangekondigd als ‘de Verlosser,’ tijdens de feestelijkheden in de avond opening van zaken zou geven, misschien wel tijdens het bruiloftsmaal. Maar alle hoop op zo’n demonstratie werd bij zijn zes discipel-apostelen de bodem ingeslagen toen hij hen juist voor het bruiloftsmaal bij elkaar riep en met grote ernst zei: ‘Denk niet dat ik hierheen ben gekomen om een wonder te verrichten om de nieuwsgierigen te bevredigen of hen die twijfelen te overtuigen. Wij zijn hier veeleer om de wil van onze Vader die in de hemelen is af te wachten.’ Maar toen Maria en de anderen hem zagen beraadslagen met zijn metgezellen, waren ze voor zichzelf geheel overtuigd dat er iets buitengewoons stond te gebeuren. En ze gingen allen zitten om van het bruiloftsmaal en van de avond van feestelijke gezelligheid te genieten.

(1529.4) 137:4.7 De vader van de bruidegom had ervoor gezorgd dat er meer dan voldoende wijn was voor alle gasten die waren uitgenodigd voor het bruiloftsfeest, maar hoe kon hij weten dat het huwelijk van zijn zoon een gebeurtenis zou worden die zo nauw verbonden werd met de verwachte manifestatie van Jezus als de Messiaanse verlosser? Hij was er zeer mee ingenomen dat hij de eer genoot de gevierde Galileeër onder zijn gasten te mogen tellen, maar voordat het bruiloftsmaal ten einde was, kwamen de bedienden hem het ontstellende nieuws brengen dat de wijn opraakte. Toen de officiële maaltijd voorbij was en de gasten zich vertraden in de tuin, vertrouwde de moeder van de bruidegom Maria toe dat de voorraad wijn op was. En Maria zei vol vertrouwen: ‘Maakt u zich geen zorgen – ik zal met mijn zoon spreken. Hij zal ons helpen.’ Zo durfde zij inderdaad te spreken, ondanks de berisping een paar uur eerder.

(1529.5) 137:4.8 Vele jaren lang had Maria zich altijd tot Jezus gewend om hulp in iedere crisis in hun huiselijk leven in Nazaret, en dus was het heel gewoon voor haar om nu ook aan hem te denken. Maar deze ambitieuze moeder had nog andere motieven om bij deze gelegenheid een beroep te doen op haar oudste zoon. Terwijl Jezus alleen in een hoek van de tuin stond, ging zijn moeder naar hem toe en zei: ‘Zoon, zij hebben geen wijn meer.’ Jezus antwoordde: ‘Lieve vrouw, wat heb ik daar mee te maken?’ Maria zei: ‘Maar ik geloof dat je uur gekomen is; kun je ons niet helpen?’ Jezus antwoordde: ‘Ik zeg nogmaals dat ik niet gekomen ben om de dingen op deze manier te doen. Waarom val je mij opnieuw lastig met zulke zaken?’ Toen barstte Maria in tranen uit en smeekte ze hem: ‘Maar, zoon, ik heb hun beloofd dat je ons zou helpen; zou je niet iets voor mij willen doen, alsjeblieft?’ Waarop Jezus sprak: ‘Vrouw, hoe kom je erbij zulke beloften te doen? Zorg dat je het niet weer doet. We moeten in alle dingen de wil van de Vader in de hemel afwachten.’

(1530.1) 137:4.9 Maria, de moeder van Jezus was verpletterd, ze was sprakeloos! Terwijl ze daar zo voor hem stond, bewegingloos, de tranen stromend over haar gelaat, werd het menselijke hart van Jezus overmand door medelijden met de vrouw die hem in het vlees gedragen had; hij boog zich naar haar toe, legde zijn hand teder op haar hoofd en zei: ‘Kom, kom, Moeder Maria, wees niet bedroefd om mijn schijnbaar harde woorden, want heb ik je niet vele malen gezegd dat ik aleen gekomen ben om de wil van mijn hemelse Vader te doen? Ik zou met het grootste genoegen doen wat je van me vraagt, als het deel zou uitmaken van de wil van mijn Vader-’ en Jezus hield plotseling op, hij aarzelde. Maria scheen te voelen dat er iets gebeurde. Ze sprong op, sloeg haar armen om Jezus’ hals, kuste hem, snelde naar het bediendenverblijf, en zei: ‘Alles wat mijn zoon zegt, moeten jullie doen.’ Doch Jezus zei niets. Hij besefte nu dat hij reeds te veel gezegd had, of althans vol verlangen had gedacht.

(1530.2) 137:4.10 Maria danste van blijdschap. Ze wist niet hoe de wijn te voorschijn gebracht zou worden, maar ze was er geheel zeker van dat zij haar eerstgeboren zoon eindelijk had overgehaald zijn gezag te laten gelden, naar voren te durven treden en aanspraak te maken op zijn positie, en zijn Messiaanse kracht te doen blijken. En vanwege de aanwezigheid en samenwerking van bepaalde universum-krachten en-persoonlijkheden, waarvan alle aanwezigen geheel onkundig waren, zou ze niet teleurgesteld worden. De wijn die Maria verlangde en die Jezus, de God-mens, zich als mens en uit medegevoel had gewenst, was in aantocht.

(1530.3) 137:4.11 Dichtbij stonden zes stenen watervaten, die elk gevuld waren met ongeveer vijfenzeventig liter water. Dit water was bedoeld voor later gebruik in de laatste reinigingsceremoniën van de huwelijksviering. De drukte van de bedienden bij deze grote stenen vaten, onder de bezige leiding van zijn moeder, trok de aandacht van Jezus, en toen hij erheen ging, zag hij dat er met kruiken vol wijn uit werd getapt.

(1530.4) 137:4.12 Geleidelijk ging het Jezus dagen wat er gebeurd was. Van alle personen die op het huwelijksfeest te Kana aanwezig waren, was het Jezus die het meest verrast was. De anderen hadden verwacht dat hij een wonder zou doen, maar dat was nu juist wat hijzelf niet van plan was geweest. Toen herinnerde de Zoon des Mensen zich de waarschuwing van zijn Gepersonaliseerde Gedachtenrichter in de bergen. Hij herinnerde zich hoe de Richter hem gewaarschuwd had dat geen enkele macht of persoonlijkheid in staat was hem zijn scheppersprerogatief van onafhankelijkheid van de tijd af te nemen. Bij deze gelegenheid hadden zich krachttransformatoren, middenwezens en alle andere persoonlijkheden die daarvoor nodig waren, verzameld bij het water en andere noodzakelijke elementen, en gezien de wens die de Schepper-Soeverein van het Universum had geuit, was het niet te vermijden dat er ogenblikkelijk wijn verscheen. Het was dubbel zeker dat dit voorval zou plaatsvinden, aangezien de Gepersonaliseerde Richter te kennen had gegeven dat de uitvoering van het verlangen van de Zoon in geen enkel opzicht een inbreuk was op de wil van de Vader.

(1530.5) 137:4.13 Dit voorval was echter geenszins een wonder. Geen enkele natuurwet werd gemodificeerd, uitgeschakeld, of zelfs getranscendeerd. Er vond niets anders plaats dan de uitschakeling van de tijd samen met de hemelse samenvoeging van de chemische elementen die noodzakelijk waren voor de voortbrenging van de wijn. Bij deze gelegenheid te Kana maakten de vertegenwoordigers van de Schepper wijn, precies zoals zij dit doen door middel van de gewone natuurlijke processen, behalve dat zij het onafhankelijk van de tijd deden en door de tussenkomst van bovenmenselijke instanties inzake van het in de ruimte samenvoegen van de noodzakelijke chemische ingrediënten.

(1531.1) 137:4.14 Bovendien was het duidelijk dat het verrichten van dit zogenaamde wonder niet tegen de wil van de Paradijs-Vader inging, anders zou het niet hebben plaatsgevonden; Jezus had zich immers reeds in alle dingen onderworpen aan de wil van de Vader.

(1531.2) 137:4.15 Toen de bedienden deze nieuwe wijn uit de vaten hadden getapt en naar de bruidsjonker hadden gedragen, de ‘leider van het feest’, en deze de wijn had geproefd, riep hij de bruidegom en zei: ‘Het is gewoonte eerst de goede wijn op te dienen en daarna, als de gasten goed gedronken hebben, de minder goede vrucht van de wijnstok op tafel te brengen; maar jij hebt de beste wijn tot het laatst van het feest bewaard.’

(1531.3) 137:4.16 Maria en de discipelen van Jezus waren zeer verblijd door dit vermeende wonder dat Jezus, naar zij dachten met vooropgezette bedoeling, verricht had, maar Jezus trok zich in een beschutte hoek van de tuin terug en dacht enkele ogenblikken ernstig na. Hij kwam ten slotte tot het besluit dat deze gebeurtenis in de gegeven omstandigheden buiten zijn persoonlijke macht had gestaan en onvermijdelijk was geweest omdat zij niet tegen de wil van de Vader inging. Toen hij naar de mensen terugkeerde, zagen ze hem met ontzag aan: ze geloofden allen in hem als de Messias. Doch Jezus verkeerde in ernstige verwarring, want hij wist dat zij alleen maar in hem geloofden vanwege de ongewone gebeurtenis die zij zojuist onbedoeld hadden meegemaakt. En opnieuw trok Jezus zich een tijdje terug op het dak van het huis om over dit alles na te denken.

(1531.4) 137:4.17 Jezus begreep nu ten volle dat hij voortdurend op zijn hoede moest zijn om te voorkomen dat hij door toe te geven aan sympathie en medelijden verantwoordelijk zou worden voor herhaaldelijke voorvallen van deze aard. Niettemin vonden er veel van dergelijke gebeurtenissen plaats, voordat de Zoon des Mensen ten slotte afscheid nam van zijn leven als sterveling in het vlees.

(1531.5) 137:5.1 Ofschoon vele gasten de hele week van de huwelijksplechtigheden bleven, vertrokken Jezus en zijn pas gekozen discipel-apostelen – Jacobus, Johannes, Andreas, Petrus, Filippus, en Natanael – de volgende morgen zeer vroeg naar Kafarnaüm, zonder van iemand afscheid te nemen. De familie van Jezus en al zijn vrienden in Kana waren heel verdrietig dat hij hen zo plotseling had verlaten, en Judas, de jongste broer van Jezus, ging op weg om hem te zoeken. Jezus en zijn apostelen gingen rechtstreeks naar het huis van Zebedeüs in Betsaïda. Op deze tocht besprak Jezus met zijn pas gekozen medewerkers vele zaken die van belang waren voor het komende koninkrijk, en waarschuwde hij hen in het bijzonder om de verandering van water in wijn niet ter sprake te brengen. Hij ried hen ook aan de steden Sepforis en Tiberias te mijden bij hun toekomstige werk.

(1531.6) 137:5.2 Na de maaltijd die avond, in het huis van Zebedeüs en Salome, vond er een van de belangrijkste besprekingen plaats in het gehele aardse leven van Jezus. Alleen de zes apostelen waren tegenwoordig bij deze bijeenkomst: Judas arriveerde pas toen zij op het punt stonden uiteen te gaan. Deze zes uitgekozen mannen hadden de tocht met Jezus van Kana naar Betsaïda als het ware in de wolken gemaakt. Ze waren boordevol verwachting, en in vervoering door de gedachte dat zij uitgekozen waren om nauw met de Zoon des Mensen samen te werken. Maar toen Jezus hun duidelijk begon te maken wie hij was en wat zijn missie op aarde zou zijn, en hoe deze mogelijk zou eindigen, waren ze met stomheid geslagen. Zij konden niet bevatten wat hij hun vertelde. Ze waren sprakeloos: zelfs Petrus was verslagen en wist niets meer te zeggen. Alleen Andreas, die diep nadacht, waagde het te antwoorden op de raadgevingen van Jezus. Toen Jezus zag dat zij zijn boodschap niet begrepen, toen hij zag dat hun ideeën ten aanzien van de Joodse Messias zo volledig gestold waren, zond hij hen naar bed terwijl hijzelf met zijn broer Judas wandelde en praatte. En voordat Judas afscheid nam van Jezus, zei hij op gevoelvolle toon: ‘Vader-broer, ik heb je nooit begrepen. Ik weet niet met zekerheid of je bent wat onze moeder ons geleerd heeft, en ik begrijp het komende koninkrijk ook niet helemaal, maar ik weet wel dat je een machtig man Gods bent. Ik heb in de Jordaan de stem gehoord, en ik geloof in je, wie je ook moogt zijn.’ Na dit gezegd te hebben, vertrok hij en ging naar zijn eigen huis te Magdala.

(1532.1) 137:5.3 Die nacht sliep Jezus niet. Hij sloeg zijn warme omslagdoeken om, begaf zich naar de oever van het meer en ging daar zitten nadenken, nadenken tot aan de dageraad van de volgende dag. In de lange uren van die nachtelijke overpeinzing werd het Jezus volkomen duidelijk dat hij er nooit in zou kunnen slagen zijn volgelingen hem in een ander licht te doen zien dan van de langverwachte Messias. Eindelijk zag hij in dat er geen andere manier was om zijn boodschap van het koninkrijk te brengen dan als de vervulling van de voorzegging van Johannes, en als degene naar wie de Joden uitzagen. Ofschoon hij niet het Davidische type Messias was, was hij ten slotte de vervulling van de profetische uitspraken van de meer geestelijk ingestelde zieners uit vroegere tijden. Hij zou nooit meer geheel ontkennen dat hij de Messias was. Hij besloot de uiteindelijke ontwarring van deze gecompliceerde situatie over te laten aan de uitwerking van de wil van de Vader.

(1532.2) 137:5.4 De volgende morgen voegde Jezus zich bij zijn vrienden aan het ontbijt, maar zij vormden geen opgewekte groep. Hij praatte met hen en aan het einde van de maaltijd verzamelde hij hen om zich heen en zei: ‘Het is de wil van mijn Vader dat wij hier in de buurt nog een tijdje blijven. Jullie hebben Johannes horen zeggen dat hij was gekomen om de weg te bereiden voor het koninkrijk; derhalve betaamt het ons de voltooiing van de prediking van Johannes af te wachten. Wanneer de voorloper van de Zoon des Mensen zijn werk beëindigd zal hebben, zullen wij beginnen aan de verkondiging van het goede nieuws van het koninkrijk.’ Hij zei dat zijn apostelen naar hun netten terug moesten keren terwijl hij zich gereedmaakte om met Zebedeüs naar de werf te gaan, en beloofde hen de volgende dag te zien in de synagoge waar hij zou spreken, en ook sprak hij met hen af dat zij die Sabbatmiddag een bespreking zouden hebben.

(1532.3) 137:6.1 Het eerste openbare optreden van Jezus na zijn doop vond plaats op 2 maart, a.d. 26, in de synagoge van Kafarnaüm. De synagoge was overvol. Aan het verhaal over de doop in de Jordaan was nu het nieuws uit Kana toegevoegd over het water en de wijn. Jezus gaf ereplaatsen aan zijn zes apostelen en zijn broers in het vlees, Jakobus en Judas, zaten ook bij hen. Zijn moeder, die de avond tevoren met Jacobus naar Kafarnaüm was teruggekeerd, was ook aanwezig; zij zat in het voor vrouwen bestemde gedeelte van de synagoge. Het gehele gehoor was in spanning; men verwachtte een of andere buitengewone manifestatie van bovennatuurlijke kracht te zullen aanschouwen, die een passend getuigenis zou zijn van de natuur en het gezag van hem die op deze dag tot hen zou spreken. Maar er stond hen een teleurstelling te wachten.

(1532.4) 137:6.2 Toen Jezus opstond, overhandigde het hoofd van de synagoge hem de rol van de Heilige Schrift, en hij las uit de Profeet Jesaja: ‘Zo zegt de Heer: “De hemel is mijn troon, en de aarde is mijn voetbank. Waar is het huis dat gij voor mij gebouwd hebt? En waar is mijn woonstede? Mijn handen hebben dit alles gemaakt”, spreekt de Heer. “Doch op deze mens sla ik acht, op de arme en de boetvaardige van geest en wie voor mijn woord beeft.” Hoort het woord des Heren, gij die beeft en bevreesd zijt: “Uw broeders hebben u gehaat en hebben u om mijns naams wil uitgeworpen.” Maar laat de Heer verheerlijkt worden. Hij zal tot u in vreugde verschijnen, en alle anderen zullen beschaamd worden. Een stem uit de stad, een stem uit de tempel, een stem van de Heer zegt: “Voordat zij smarten kreeg, heeft zij gebaard; voordat de weeën haar overvielen, heeft zij een zoon ter wereld gebracht.” Wie heeft zo iets gehoord? Zal de aarde in één dag vrucht kunnen voortbrengen? Of kan een natie ineens geboren worden? Maar zo zegt de Heer: “Ziet, ik zal vrede verlenen als een rivier, en de heerlijkheid van de niet-Joden zal zelfs als een stromende rivier zijn. Zoals iemands moeder hem troost, zo zal ik u troosten. En zelfs in Jeruzalem zult ge getroost worden. En wanneer gij deze dingen ziet, zal uw hart zich verblijden.”’

(1533.1) 137:6.3 Toen Jezus deze voorlezing beëindigd had, gaf hij de rol terug aan de bewaarder. Voordat hij ging zitten, zei hij eenvoudig: ‘Hebt geduld, en ge zult de heerlijkheid Gods zien; zo zal het ook zijn met allen die met mij blijven wachten en op deze wijze leren de wil te doen van mijn Vader die in de hemel is.’ De mensen gingen naar huis en vroegen zich af wat dit alles mocht betekenen.

(1533.2) 137:6.4 Die namiddag namen Jezus en zijn apostelen, samen met Jakobus en Judas, een boot en roeiden een eindje uit de kust, waar zij voor anker bleven terwijl hij tot hen sprak over het komende koninkrijk. Zij begrepen er nu meer van dan op de donderdagavond.

(1533.3) 137:6.5 Jezus droeg hun op hun gewone werkzaamheden weer op te vatten totdat ‘het uur van het koninkrijk zou aanbreken.’ En om hen aan te moedigen, gaf hij hun het voorbeeld door terug te gaan naar de werf en daar weer geregeld aan het werk te gaan. Terwijl hij hun uitlegde dat zij iedere avond drie uur moesten besteden aan studie en voorbereiding voor hun toekomstige arbeid, zei Jezus voorts: ‘Wij zullen allen hier in de buurt blijven totdat de Vader mij te kennen geeft jullie te roepen. Een ieder van jullie moet nu weer zijn gewone werk gaan doen alsof er niets is gebeurd. Praat met niemand over mij en bedenkt dat mijn koninkrijk niet zal komen met lawaai en betovering, maar dat het veeleer moet komen door de grote verandering die mijn Vader in jullie hart zal hebben teweeggebracht en in de harten van hen die geroepen zullen worden met jullie deel te nemen in de raadsvergaderingen van het koninkrijk. Jullie zijn nu mijn vrienden, ik vertrouw jullie en heb jullie lief; weldra zullen jullie mijn persoonlijke medewerkers worden. Hebt geduld, weest zachtmoedig. Geeft steeds gehoor aan de wil van de Vader. Maak je gereed voor de roep van het koninkrijk. Hoewel jullie grote vreugde zult beleven in de dienst van mijn Vader, dienen jullie je ook voor te bereiden op moeite en verdriet, want ik waarschuw jullie dat velen slechts na vele beproevingen het koninkrijk zullen binnengaan. Maar voor hen die het koninkrijk hebben gevonden, zal de vreugde volkomen zijn, en zij zullen de gezegenden van de ganse aarde genoemd worden. Maar koester geen valse hoop, de wereld zal aanstoot nemen aan mijn woorden. Zelfs jullie, mijn vrienden, zien nog niet duidelijk in wat ik ontvouw aan jullie verwarde denken. Vergissen jullie je niet, wij gaan uit om te arbeiden voor een generatie van mensen die op wonderen en tekenen uit zijn. Zij zullen verlangen dat ik wonderen doe als bewijs dat ik door mijn Vader gezonden ben, en zullen in de openbaring van de liefde van mijn Vader niet snel de geloofsbrieven van mijn missie herkennen.’

(1533.4) 137:6.6 Die avond, toen zij weer aan land waren, bad Jezus, staande aan de waterkant voordat ieder zijns weegs ging: ‘Vader, ik dank u voor deze kleinen die, in weerwil van hun twijfel, zelfs nu geloven. Om hunnentwil heb ik mij afgezonderd om uw wil te doen. En mogen zij nu leren één te zijn zoals wij één zijn.’

(1533.5) 137:7.1 Vier lange maanden – maart, april, mei, en juni – duurde deze tijd van wachten; Jezus had meer dan honderd lange, ernstige, ofschoon opgewekte en vreugdevolle bijeenkomsten met deze zes metgezellen en zijn eigen broer Jakobus. Judas was door ziekte in zijn gezin zelden in de gelegenheid deze lessen bij te wonen. Jakobus, de broer van Jezus, verloor zijn geloof in hem niet, maar gedurende deze maanden van uitstel en dadeloosheid ging Maria bijna wanhopen aan haar zoon. Haar geloof, dat te Kana zo’n hoogtepunt had bereikt, daalde nu tot een nieuw laagtepunt. Ze kon alleen maar terugvallen op haar zo dikwijls herhaalde uitroep: ‘Ik kan hem niet begrijpen. Ik kan er niet achter komen wat dit allemaal betekent.’ Maar de vrouw van Jakobus hielp Maria goed om moed te houden.

(1534.1) 137:7.2 Tijdens deze vier maanden leerden deze zeven gelovigen, van wie één de natuurlijke broer van Jezus, hem kennen: ze raakten vertrouwd met de gedachte samen te leven met deze God-mens. Ofschoon ze hem Rabbi noemden, leerden ze geleidelijk om niet bang voor hem te zijn. Jezus bezat zo’n onvergelijkelijke gratie van persoonlijkheid, dat hij temidden van hen kon leven zonder dat zij ontmoedigd werden door zijn goddelijkheid. Zij vonden het werkelijk gemakkelijk om ‘bevriend met God’ te zijn, God geïncarneerd in de gelijkenis van het vlees van stervelingen. Deze tijd van wachten stelde de hele groep gelovigen zwaar op de proef. Er vond niets, maar dan ook niets wonderbaarlijks plaats. Dag in dag uit waren zij bezig met hun gewone werk, en avond na avond zaten zij aan de voeten van Jezus. Ze werden bijeengehouden door zijn onvergelijkelijke persoonlijkheid en door de genadige woorden die hij avond na avond tot hen sprak.

(1534.2) 137:7.3 Deze periode van wachten en onderricht viel speciaal Simon Petrus zwaar. Herhaaldelijk trachtte hij Jezus over te halen om vast met de verkondiging van het koninkrijk te beginnen in Galilea, terwijl Johannes nog predikte in Judea. Maar steeds luidde het antwoord van Jezus aan Petrus: ‘Heb geduld, Simon. Zorg dat je vooruitgang maakt. We zullen heus nog niet geheel klaar zijn wanneer de Vader ons roept.’ Andreas kalmeerde Petrus ook zo nu en dan met zijn rijpere en meer filosofische raadgevingen. Andreas was sterk onder de indruk geraakt van de menselijke natuurlijkheid van Jezus. Steeds opnieuw dacht hij erover na hoe iemand die zo dicht bij God leefde, zo vriendelijk en zorgzaam voor de mensen kon zijn.

(1534.3) 137:7.4 In deze gehele periode sprak Jezus slechts tweemaal in de synagoge. Tegen het einde van vele weken van wachten, waren de verhalen over zijn doop en de wijn van Kana iets naar de achtergrond verschoven. En Jezus zorgde ervoor dat er gedurende deze tijd niet meer van deze schijnbare wonderen plaatsvonden. Hoewel zij zo rustig leefden te Betsaïda, hadden Herodes Antipas echter toch berichten bereikt over het vreemde doen en laten van Jezus, en op zijn beurt zond hij daarop spionnen uit om te weten te komen wat Jezus van plan was. Herodes maakte zich echter meer zorgen over de prediking van Johannes. Hij besloot Jezus, wiens werk te Kafarnaüm zo rustig verliep, niet lastig te vallen.

(1534.4) 137:7.5 Gedurende deze tijd van wachten trachtte Jezus zijn metgezellen te leren wat hun instelling diende te zijn ten opzichte van de verschillende religieuze groeperingen en politieke partijen in Palestina. Jezus zei steeds: ‘Wij proberen hen allen te winnen, maar wij behoren tot geen van hen.’

(1534.5) 137:7.6 De schriftgeleerden en rabbi’s, als één groep beschouwd, werden de Farizeeën genoemd. Zij duidden zichzelf aan als de ‘metgezellen.’ In vele opzichten vormden zij de progressieve groep onder de Joden, want zij hadden vele leringen aanvaard die niet duidelijk in de Hebreeuwse geschriften te vinden waren, zoals het geloof in de wederopstanding der doden, een leer die alleen door de latere profeet Daniël vermeld was.

(1534.6) 137:7.7 De Sadduceeën bestonden uit het priesterdom en bepaalde welgestelde Joden. Dezen hechtten niet zo’n overdreven belang aan de nauwgezette naleving van de wet. De Farizeeën en Sadduceeën waren in werkelijkheid veeleer religieuze partijen dan secten.

(1534.7) 137:7.8 De Essenen waren een echte godsdienstige secte, ontstaan tijdens de opstand onder de Maccabeeën; zij stelden eisen die in bepaalde opzichten strenger waren dan die der Farizeeën. Zij hadden veel van de geloofsovertuigingen en gebruiken van de Perzen overgenomen, woonden als een broederschap in kloosters, onthielden zich van het huwelijk, en hadden alle dingen gemeen. Zij specialiseerden zich in leringen over engelen.

(1535.1) 137:7.9 De Zeloten waren een groep sterk patriottische Joden. Zij verdedigden de opvatting dat alle methoden, zonder uitzondering, gerechtvaardigd waren om aan het juk der Romeinen te ontkomen.

(1535.2) 137:7.10 De Herodianen waren een zuiver politieke partij die voorstond zich van de rechtstreekse Romeinse overheersing vrij te maken door het herstel van de Herodiaanse dynastie.

(1535.3) 137:7.11 Pal in het midden van Palestina woonden de Samaritanen, met wie ‘de Joden niets te maken wilden hebben’, ondanks het feit dat hun inzichten in vele opzichten overeenkwamen met de Joodse leer.

(1535.4) 137:7.12 Al deze partijen en secten, de tamelijk kleine broederschap der Nazireeërs inbegrepen, geloofden dat eens de Messias zou komen. Ze zagen allen uit naar een nationale bevrijder. Maar Jezus was zeer beslist wanneer het erom ging duidelijk te maken dat hij en zijn discipelen zich niet zouden verbinden aan een van deze scholen van denken of handelen. De Zoon des Mensen zou noch een Nazireeër, noch een Esseen zijn.

(1535.5) 137:7.13 Toen Jezus later aanwijzingen gaf dat de apostelen moesten uitgaan, zoals ook Johannes had gedaan, om het evangelie te verkondigen en gelovigen te onderrichten, legde hij de nadruk op de verkondiging van de ‘goede boodschap van het koninkrijk des hemels.’ Steeds weer drukte hij zijn medewerkers op het hart dat zij ‘liefde, medelijden, en sympathie moesten laten blijken.’ Reeds vroeg leerde hij zijn volgelingen dat het koninkrijk des hemels een geestelijke ervaring was, die te maken had met het ten troon verheffen van God in de harten der mensen.

(1535.6) 137:7.14 Terwijl zij aldus wachtten voordat ze hun actieve publieke prediking aanvingen, brachten Jezus en de zeven apostelen twee avonden per week in de synagoge door met het bestuderen van de Hebreeuwse geschriften. In latere jaren na perioden van ingespannen werk in het openbaar, zagen de apostelen op deze vier maanden terug als de meest waardevolle, nuttige tijd in hun hele omgang met de Meester. Jezus leerde deze mannen alles wat ze konden verwerken. Hij maakte niet de vergissing hen teveel te onderrichten. Hij bracht hen niet in verwarring door hun waarheid voor te leggen die hun begripsvermogen ver te boven ging.

(1535.7) 137:8.1 Op de Sabbatdag van 22 juni, kort voordat zij hun eerste prediktocht gingen maken en ongeveer tien dagen nadat Johannes gevangen was genomen, beklom Jezus voor de tweede keer nadat hij zijn apostelen naar Kafarnaüm had meegebracht, de kansel van de synagoge.

(1535.8) 137:8.2 Enkele dagen voor deze prediking over ‘Het Koninkrijk’, had Petrus aan Jezus, terwijl deze aan het werk was op de scheepswerf, het nieuws gebracht van de arrestatie van Johannes. Hierop legde Jezus opnieuw zijn gereedschap neer, deed zijn voorschoot af en zei tegen Petrus: ‘Het uur van de Vader is aangebroken. Laten wij ons gereedmaken om het evangelie van het koninkrijk te gaan verkondigen.’

(1535.9) 137:8.3 Jezus werkte op deze dinsdag, 18 juni, a.d. 26, voor het laatst aan de timmermanswerkbank. Petrus holde de werkplaats uit en had omstreeks het middaguur al zijn metgezellen verzameld in een bosschage bij de kust, waar hij hen achterliet om Jezus te zoeken. Hij kon hem echter niet vinden, want de Meester was naar een andere bosschage gegaan om te bidden. Ze zagen hem pas ’s avonds laat, toen hij terugkwam naar het huis van Zebedeüs en om eten vroeg. De volgende dag stuurde hij zijn broer Jakobus om te vragen of hij het voorrecht mocht hebben de komende Sabbatdag in de synagoge te spreken. De overste der synagoge was er zeer mee ingenomen dat Jezus opnieuw bereid was de dienst te leiden.

(1536.1) 137:8.4 Voordat Jezus deze gedenkwaardige prediking over het koninkrijk Gods hield, de eerste daad in zijn publieke loopbaan die in het oog liep, las hij uit de Schrift de volgende teksten: ‘Gij zult mij een koninkrijk van priesters zijn, een heilig volk. Jahweh is onze rechter, Jahweh is onze wetgever, Jahweh is onze koning; hij zal ons verlossen. Jahweh is mijn koning en mijn God. Hij is een groot koning over de ganse aarde. Goedertierenheid is er over Israel in dit koninkrijk. Gezegend zij de heerlijkheid van de Heer, want hij is onze Koning.’

(1536.2) 137:8.5 Toen hij zijn voorlezing beëindigd had, sprak Jezus:

(1536.3) 137:8.6 ‘Ik ben gekomen om de vestiging van het koninkrijk van de Vader uit te roepen. En dit koninkrijk zal de Godlovende zielen omvatten van Joden en niet-Joden, van rijken en armen, van vrijen en niet-vrijen, want mijn Vader kent geen aanzien des persoons; zijn liefde en zijn barmhartigheid gaan uit tot allen.

(1536.4) 137:8.7 ‘De Vader in de hemel zendt zijn geest uit om in het bewustzijn der mensen te wonen, en wanneer ik mijn werk op aarde ten einde zal hebben gebracht, zal de Geest der Waarheid eveneens worden uitgestort over alle vlees. En de geest van mijn Vader en de Geest der Waarheid zullen u bevestigen in het komende koninkrijk van geestelijk inzicht en goddelijke rechtvaardigheid. Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. De Zoon des Mensen zal geen legers aanvoeren in een strijd om een machtstroon of een koninkrijk van wereldlijke glorie op te richten. Wanneer mijn koninkrijk gekomen zal zijn, zult ge de Zoon des Mensen kennen als de Vredevorst, de openbaring van de eeuwige Vader. De kinderen van deze wereld strijden voor de vestiging en uitbreiding van de koninkrijken van deze wereld, maar mijn discipelen zullen het koninkrijk des hemels binnengaan door hun morele beslissingen en hun geest-overwinningen; en wanneer zij daar eenmaal binnengaan, zullen zij er vreugde vinden, rechtschapenheid, en eeuwig leven.

(1536.5) 137:8.8 ‘Zij die vóór alles trachten het koninkrijk binnen te gaan, en aldus beginnen te streven naar een adeldom van karakter zoals van mijn Vader, zullen weldra alles bezitten wat zij nodig hebben. Maar ik zeg u in alle oprechtheid: tenzij ge tracht het koninkrijk binnen te gaan met het geloof en de vertrouwende afhankelijkheid van een klein kind, zult ge geenszins toegang verkrijgen.

(1536.6) 137:8.9 ‘Laat u niet misleiden door hen die komen en zeggen, hier is het koninkrijk of daar is het, want het koninkrijk van mijn Vader heeft niet te maken met zichtbare en materiële zaken. En dit koninkrijk is nu reeds onder u, want waar de geest van God de ziel des mensen onderricht en leidt, daar is in werkelijkheid het koninkrijk des hemels. En dit koninkrijk van God is rechtschapenheid, vrede, en vreugde in de Heilige Geest.

(1536.7) 137:8.10 ‘Johannes doopte u inderdaad ten teken van berouw en voor de vergeving van uw zonden, doch wanneer ge het hemelse koninkrijk binnengaat, zult ge gedoopt worden met de Heilige Geest.

(1536.8) 137:8.11 ‘In het koninkrijk van mijn Vader zal geen Jood zijn of niet-Jood, maar slechts zij die volmaaktheid zoeken door dienstbaarheid, want ik zeg u dat hij die groot wil zijn in mijns Vaders koninkrijk, eerst een dienaar van allen moet worden. Indien ge bereid zijt om uw medemensen te dienen, zult ge met mij aanzitten in mijn koninkrijk, evenals ik, door te dienen in de gelijkenis van een mens, weldra zal aanzitten bij mijn Vader in zijn koninkrijk.

(1536.9) 137:8.12 ‘Dit nieuwe koninkrijk is als een zaad dat groeit in de goede grond van een akker. Het komt niet snel tot het dragen van de rijpe vrucht. Er is een tussentijd tussen het vestigen van het koninkrijk in de ziel des mensen en het uur waarop het koninkrijk rijpt en de volle vrucht voortbrengt van eeuwige rechtschapenheid en eeuwig heil.

(1536.10) 137:8.13 ‘En dit koninkrijk dat ik u verkondig, is niet een rijk van macht en overvloed. Het koninkrijk des hemels is niet een zaak van eten en drinken, maar veeleer een leven van vooruitgang in rechtvaardigheid en toenemende vreugde in de tot volmaaktheid leidende dienst van mijn Vader die in de hemel is. Want heeft de Vader niet gezegd over de kinderen van de wereld: “Het is mijn wil dat zij uiteindelijk volmaakt zullen zijn, evenals ik volmaakt ben?”

(1537.1) 137:8.14 ‘Ik ben gekomen om het blijde nieuws van het koninkrijk te prediken. Ik ben niet gekomen om de zware lasten van hen die dit koninkrijk willen binnengaan, nog zwaarder te maken. Ik verkondig de nieuwe, betere weg, en zij die in staat zijn het komende koninkrijk binnen te gaan, zullen de goddelijke rust genieten. En wat het u ook moge kosten aan dingen van deze wereld, welke prijs ge ook betaalt om het koninkrijk des hemels binnen te gaan, ge zult het veelvoud daarvan terugontvangen aan vreugde en geestelijke vooruitgang in deze wereld, en in het toekomende tijdperk het eeuwige leven.

(1537.2) 137:8.15 ‘Het binnengaan van het koninkrijk van de Vader gaat niet gepaard met marcherende legers, met de omverwerping van koninkrijken van deze wereld, noch met het verbreken van een juk van gevangenschap. Het koninkrijk des hemels is dichtbij, en allen die het binnengaan, zullen overvloedige vrijheid vinden en vreugdevolle verlossing.

(1537.3) 137:8.16 ‘Dit koninkrijk is een eeuwigdurende heerschappij. Zij die het koninkrijk binnengaan, zullen opklimmen naar mijn Vader; zij zullen zekerlijk de rechterhand van zijn heerlijkheid in het Paradijs bereiken. En allen die het koninkrijk des hemels binnengaan, zullen de zonen van God worden, en in het toekomende tijdperk zullen zij zo de weg omhoog gaan naar de Vader. En ik ben niet gekomen om de zogenoemde rechtvaardigen te roepen, maar zondaren, en allen die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid van de goddelijke volmaaktheid.

(1537.4) 137:8.17 ‘Johannes kwam als boetprediker om u voor te bereiden op het koninkrijk; nu ben ik gekomen om u te verkondigen dat geloof, de gave Gods, de prijs is voor het binnengaan van het koninkrijk des hemels. Indien ge maar wilt geloven dat mijn Vader u liefheeft met een oneindige liefde, dan zijt ge in het koninkrijk Gods.’

(1537.5) 137:8.18 Toen hij aldus gesproken had, ging hij zitten. Allen die hem aanhoorden, waren verbaasd over zijn woorden. Zijn discipelen verwonderden zich. Maar de mensen waren niet klaar om het goede nieuws uit de mond van deze God-mens te ontvangen. Ongeveer een derde van zijn gehoor geloofde de boodschap, ook al konden zij deze niet ten volle begrijpen; ongeveer een derde deel bereidde er zich in hun hart op voor zo’n louter geestelijke voorstelling van het verwachte koninkrijk te verwerpen, terwijl het resterende derde deel zijn onderricht niet kon bevatten, en velen van hen geloofden dat hij ‘buiten zichzelf was.’

Información de fondo

AfdrukkenAfdrukken

Urantia Foundation, 533 W. Diversey Parkway, Chicago, IL 60614, USA
Telefoon: +1-773-525-3319
© Urantia Foundation. Alle rechten voorbehouden