Verhandeling 157 - In Caesarea-Filippi

   
   Red Jesus Text: Aan | Uit    Paragraaf Nummers: Aan | Uit
AfdrukkenAfdrukkenSend by emailSend by email

Het Urantia Boek

Verhandeling 157

In Caesarea-Filippi


(1743.1) 157:0.1 VOORDAT Jezus de twaalf meenam voor een kort verblijf in de buurt van Caesarea-Filippi, regelde hij met de koeriers van David dat hij op zondag, 7 augustus, naar Kafarnaüm zou komen om zijn familie te ontmoeten. Er werd afgesproken dat dit bezoek zou plaatsvinden op de werf van Zebedeüs. David Zebedeüs had met Judas, de broer van Jezus, geregeld dat de gehele familie uit Nazaret aanwezig zou zijn – Maria en alle broers en zusters van Jezus – en Jezus ging met Andreas en Petrus op weg om deze afspraak na te komen. Het was stellig de bedoeling van Maria en haar kinderen om zich aan deze afspraak te houden, maar toevallig had een groep Farizeeën, wetende dat Jezus aan de overzijde van het meer in het rechtsgebied van Filippus verbleef, juist besloten Maria te bezoeken om zoveel mogelijk te weten te komen over zijn verblijfplaats. De komst van deze afgezanten uit Jeruzalem verontrustte Maria zeer, en toen de bezoekers de spanning en nervositeit van de gehele familie zagen, trokken zij de conclusie dat de familie in afwachting verkeerde van een bezoek van Jezus. Bijgevolg installeerden zij zich in het huis van Maria, ontboden versterkingen en wachtten geduldig de komst van Jezus af. Vanzelfsprekend belette deze gang van zaken op doeltreffende wijze dat ook maar iemand van de familie kon proberen de afspraak met Jezus na te komen. Meerdere malen die dag trachtten zowel Judas als Ruth te ontkomen aan de waakzaamheid van de Farizeeën en Jezus bericht te sturen, maar dit lukte niet.

(1743.2) 157:0.2 Vroeg in de middag kwamen de koeriers van David naar Jezus met het bericht dat de Farizeeën op de drempel van het huis van zijn moeder hadden postgevat, en daarom ondernam hij geen poging zijn familie te bezoeken. En zo gebeurde het dat buiten beider schuld, Jezus en zijn aardse familie er wederom niet in slaagden met elkaar in contact te komen.

1. De ontvanger van de tempelbelasting

(1743.3) 157:1.1 Terwijl Jezus zich met Andreas en Petrus ophield bij het meer in de buurt van de scheepswerf, kwam er een ontvanger van de tempelbelasting naar hen toe en toen hij Jezus herkende, riep hij Petrus terzijde en zei: ‘Betaalt uw Meester de tempelbelasting niet?’ Petrus was eerst geneigd boos te worden door de suggestie dat er van Jezus verwacht werd dat hij zou bijdragen tot de instandhouding van de godsdienstige activiteiten van zijn gezworen vijanden, maar omdat hij een eigenaardige uitdrukking op het gezicht van de belastingontvanger bespeurde, nam hij terecht aan dat het de bedoeling was hen op heterdaad te betrappen op de weigering om de gebruikelijke halve shekel te betalen voor de instandhouding van de tempeldiensten in Jeruzalem. Dus antwoordde Petrus: ‘Maar natuurlijk betaalt de Meester de tempelbelasting. Wacht u maar bij de poort, dan kom ik dadelijk met de belasting.’

(1743.4) 157:1.2 Petrus had echter wel wat voorbarig gesproken. Judas, die hun geld bij zich droeg, was aan de overzijde van het meer. Noch hijzelf, noch zijn broer of Jezus had geld bij zich. Ze konden ook niet goed naar Betsaïda gaan om geld te halen, nu ze wisten dat de Farizeeën hen zochten. Toen Petrus Jezus vertelde over de belastingontvanger en zei dat hij hem het geld had beloofd, zei Jezus: ‘Als je het beloofd hebt, moet je betalen. Maar hoe wil je je belofte nakomen? Wil je weer visser worden om je woord te kunnen houden? Niettemin, Petrus, is het in de gegeven omstandigheden goed de belasting te betalen. Laten wij deze mensen geen aanleiding geven om aanstoot te nemen aan onze houding. Wij zullen hier wachten, terwijl jij de boot neemt en het net uitwerpt, en als je de vis op de markt ginds verkocht hebt, betaal dan de ontvanger voor ons alle drie.’

(1744.1) 157:1.3 Dit alles was afgeluisterd door de geheime koerier van David die in de buurt stond, en deze wenkte daarop een medewerker, die onder de kust aan het vissen was, om snel aan land te komen. Toen Petrus zich klaarmaakte er met de boot op uit te gaan om te gaan vissen, boden deze koerier en zijn vriend, de visser, hem enkele grote manden met vis aan en hielpen hem die naar de viskoopman in de buurt te brengen; deze kocht de vangst en wat hij betaalde, gevoegd bij wat de koerier van David erbij legde, was voldoende om de tempelbelasting voor de drie te voldoen. De ontvanger aanvaardde de belasting en zag af van de boete voor te late betaling, omdat zij enige tijd niet in Galilea aanwezig waren geweest.

(1744.2) 157:1.4 Het is niet zo verwonderlijk dat gij een verslag hebt waarin Peter een vis angt met een shekel in zijn bek. Toentertijd waren er vele verhalen in omloop over het vinden van schatten in de bek van vissen, zulke verhalen over aan wonderen grenzende gebeurtenissen waren heel gewoon. Zo maakte Jezus, toen Petrus wegging om naar de boot te gaan, enigszins gekscherend de opmerking: ‘Het is wel vreemd dat de zonen van de koning schatting moeten betalen; gewoonlijk moeten de vreemden belasting betalen voor de instandhouding van het hof, maar het betaamt ons de autoriteiten geen struikelblok in de weg te leggen. Ga maar! misschien vang je wel een vis met een shekel in zijn bek.’ Omdat Jezus dit zo gezegd had en Petrus zo spoedig met de tempelbelasting aankwam, is het niet verbazingwekkend dat dit voorval later werd opgeblazen tot een wonder, zoals door de schrijver van het evangelie van Matteüs.

(1744.3) 157:1.5 Jezus wachtte met Andreas en Petrus bij de oever tot de zon bijna was ondergegaan. Koeriers meldden dat het huis van Maria nog steeds onder bewaking stond; toen het donker werd, stapten de drie wachtende mannen derhalve in hun boot en roeiden langzaam weg naar de oostelijke oever van het meer van Galilea.

2. Te Betsaïda-Julias

(1744.4) 157:2.1 Op maandag 8 augustus, terwijl Jezus en de twaalf apostelen hun tenten opgeslagen hadden in het park van Magadan, dicht bij Betsaïda-Julias, kwamen meer dan honderd gelovigen, de evangelisten, het vrouwenkorps en anderen, die belang stelden in de vestiging van het koninkrijk, uit Kafarnaüm over voor een bespreking. Omdat de Farizeeën hadden gehoord dat Jezus daar was, kwamen er ook velen van hen. Ondertussen hadden enkele Sadduceeën zich aangesloten bij de Farizeeën in hun inspanning om Jezus in de val te laten lopen. Alvorens een besloten vergadering met de gelovigen te houden, hield Jezus een openbare bijeenkomst die de Farizeeën ook bijwoonden; dezen stelden de Meester hinderlijke vragen en trachtten ook op andere wijzen de bijeenkomst te verstoren. De aanvoerder van de rustverstoorders zei: ‘Leraar, wij zouden wel willen dat u ons een teken gaf dat u bevoegd bent onderricht te geven, en wanneer uw teken uitkomt, zullen alle mensen vervolgens weten dat ge door God gezonden zijt.’ Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Wanneer het avond is, zegt ge dat het mooi weer zal worden, want er is avondrood; ’s morgens zegt ge dat het slecht weer zal worden want de lucht is rood en dreigend. Wanneer ge in het westen een wolk ziet opkomen, zegt ge dat het zal gaan regenen; wanneer de wind uit het zuiden komt, zegt ge dat er een verschroeiende hitte zal komen. Hoe komt het dat ge het aanzicht van de hemel zo goed kunt onderscheiden, maar de tekenen der tijden volstrekt niet? Aan hen die de waarheid willen kennen is reeds een teken gegeven, maar aan een boos en huichelachtig geslacht zal geen teken worden gegeven.’

(1745.1) 157:2.2 Toen Jezus dit gezegd had, trok hij zich terug en bereidde zich voor op de avondbijeenkomst met zijn volgelingen. In deze vergadering werd besloten een gezamenlijke zending te ondernemen naar alle steden en dorpen van de Dekapolis, zodra Jezus en de twaalf van hun voorgenomen bezoek aan Caesarea-Filippi zouden zijn teruggekeerd. De Meester nam deel aan de planning voor de zending in de Dekapolis en zei bij het uiteengaan van het gezelschap nog: ‘Ik zeg jullie, hoed je voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën. Laat je niet misleiden door hun groot vertoon van geleerdheid en hun diepgewortelde trouw aan de vormen van de godsdienst. Zet je alleen in voor de geest van levende waarheid en de kracht van ware religie. Het is niet de angst voor een dode religie die jullie zal redden, maar veeleer jullie geloof in een levende ervaring met de geestelijke werkelijkheden van het koninkrijk. Laat jezelf niet door vooroordelen verblinden en door vrees verlammen. En laat evenmin de eerbied voor tradities jullie inzicht zo misvormen, dat je ogen niet zien en je oren niet horen. Het is niet het doeleinde van ware religie om alleen maar vrede te brengen, maar veeleer om vooruitgang zeker te stellen. En er kan geen vrede in je hart zijn of vooruitgang in je bewustzijn, tenzij je oprecht verliefd raakt op waarheid, de idealen van eeuwige werkelijkheden. De kwesties van leven en dood worden jullie voorgelegd – de zondige genoegens van de tijd tegenover de rechtvaardige werkelijkheden van de eeuwigheid. Nu al moeten jullie verlossing vinden van de slavernij van vrees en twijfel, nu je het nieuwe leven van geloof en hoop gaat beginnen. En wanneer er gevoelens van dienstbaarheid aan jullie medemensen opkomen in je ziel, verstik ze dan niet: wanneer de emoties van liefde voor je naaste opwellen in je hart, geef dan uitdrukking aan zulke impulsen van liefde in intelligente zorg voor de werkelijke behoeften van jullie medemensen.’

3. De belijdenis van Petrus

(1745.2) 157:3.1 Dinsdagmorgen vertrokken Jezus en de twaalf apostelen in de vroegte uit het park van Magadan naar Caesarea-Filippi, de hoofdstad van het rechtsgebied van de Viervorst Filippus. Caesarea-Filippi was in een wonderbaarlijk mooie omgeving gelegen. Het lag verscholen in een lieflijke vallei tussen schilderachtige bergen, waar de Jordaan uit een onderaardse grot ontsprong. Naar het noorden had men een wijds uitzicht op de hoogten van het Hermon-gebergte, terwijl men van de heuvels juist ten zuiden een schitterend vergezicht had op de Boven-Jordaan en het meer van Galilea.

(1745.3) 157:3.2 Jezus was naar de berg Hermon gegaan in de tijd dat hij zijn eerste ondervinding opdeed met de aangelegenheden van het koninkrijk, en nu hij aan de laatste fase van zijn werk begon, verlangde hij terug te gaan naar deze berg van beproeving en overwinning, in de hoop dat de apostelen daar een nieuwe visie zouden krijgen op hun verantwoordelijkheden en nieuwe kracht zouden opdoen voor de moeilijke tijden die hun weldra te wachten stonden. Onderweg, ongeveer toen zij op hun tocht de Wateren van Merom aan de zuidzijde passeerden, raakten de apostelen met elkaar in gesprek over hun recente ervaringen in Fenicië en elders en verhaalden zij elkaar uitvoerig hoe hun boodschap was ontvangen en hoe de mensen in de verschillende streken over de Meester dachten.

(1745.4) 157:3.3 Tijdens hun lunchpauze confronteerde Jezus de twaalf plotseling voor de eerste maal met een vraag over zichzelf. Hij stelde de volgende verrassende vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’

(1746.1) 157:3.4 Jezus was vele maanden bezig geweest om deze apostelen op te leiden inzake de aard en het karakter van het koninkrijk des hemels, en hij wist heel goed dat de tijd nu was gekomen dat hij moest beginnen hen meer over zijn eigen natuur en over zijn persoonlijke betrekking tot het koninkrijk te onderrichten. En nu, gezeten onder de moerbeibomen, maakte de Meester zich klaar voor een van de belangrijkste besprekingen in zijn lange omgang met zijn gekozen apostelen.

(1746.2) 157:3.5 Meer dan de helft van de apostelen nam deel aan de beantwoording van de vraag van Jezus. Zij zeiden hem dat hij door allen die hem kenden werd beschouwd als een profeet of als een buitengewoon mens; dat zelfs zijn vijanden zeer beducht voor hem waren en zijn krachten verklaarden door hem ervan te beschuldigen in verbinding te staan met de vorst der duivels. Zij zeiden hem dat sommige mensen in Judea en Samaria die hem niet persoonlijk hadden ontmoet, geloofden dat hij Johannes de Doper was, die uit de dood zou zijn verrezen. Petrus zette uiteen dat hij bij diverse gelegenheden en door verschillende mensen was vergeleken met Mozes, Elia, Jesaja en Jeremia. Toen Jezus dit verslag had aangehoord, stond hij op, keek neer op de twaalf die in een halve kring om hem heen zaten, wees naar hen allen met een breed gebaar en vroeg met verrassende nadrukkelijkheid: ‘Maar wie zeggen jullie dat ik ben?’ Een ogenblik lang was er een gespannen stilte. De blik van de twaalf bleef aldoor op de Meester gericht; toen sprong Simon Petrus op en riep uit: ‘U bent de Verlosser, de Zoon van de levende God.’ En de elf nog zittende apostelen stonden als één man op en gaven daardoor te kennen dat Petrus voor hen allen gesproken had.

(1746.3) 157:3.6 Jezus gebaarde hen weer te gaan zitten, maar bleef zelf voor hen staan en zei: ‘Dit is jullie door mijn Vader geopenbaard. Het uur is gekomen dat jullie de waarheid over mij moet weten. Maar ik draag jullie op dit voorlopig aan niemand te zeggen. Laten we verder gaan.’

(1746.4) 157:3.7 En dus hervatten zij hun tocht naar Caesarea-Filippi, waar ze die avond laat aankwamen en overnachtten ten huize van Celsus die hen verwachtte. De apostelen sliepen die nacht weinig; ze schenen te voelen dat er zich een grootse gebeurtenis in hun leven en in het werk voor het koninkrijk had afgespeeld.

4. Het gesprek over het koninkrijk

(1746.5) 157:4.1 Sinds de gebeurtenissen van Jezus’ doop door Johannes en de verandering van water in wijn in Kana, hadden de apostelen hem bij verschillende gelegenheden zo goed als aanvaard als de Messias. Gedurende korte perioden hadden sommigen van hen waarlijk geloofd dat hij de verwachte Bevrijder was. Maar nauwelijks was deze hoop in hun hart opgekomen, of Jezus had haar door een of ander verpletterend woord of teleurstellende daad weer de bodem ingeslagen. Ze hadden lang in een staat van beroering verkeerd door de tegenstrijdigheid tussen de voorstelling aangaande de verwachte Messias die in hun bewustzijn leefde, en de ervaring van hun buitengewone omgang met deze buitengewone mens, die zij koesterden in hun hart.

(1746.6) 157:4.2 Het was laat op deze woensdagmorgen toen de apostelen in de tuin van Celsus bijeenkwamen voor hun middagmaaltijd. Het grootste deel van de nacht en aldoor sinds ze die ochtend waren opgestaan, hadden Simon Petrus en Simon Zelotes ernstig en uitputtend met hun broeders gesproken om hen allen zover te brengen dat zij van ganser harte de Meester aanvaardden, niet alleen als de Messias, maar ook als de goddelijke Zoon van de levende God. De twee Simons stemden bijna geheel overeen in hun mening over Jezus en zij deden vlijtig hun best om hun broeders te overreden om deze inzichten ook geheel te aanvaarden. Hoewel Andreas de algemene leider van het korps der apostelen bleef, werd zijn broer Simon Petrus met aller instemming steeds meer de woordvoerder van de twaalf.

(1747.1) 157:4.3 Om ongeveer twaalf uur, toen de Meester verscheen, zaten ze allen in de tuin. Ze hadden allen een waardige en plechtige uitdrukking op hun gezicht, en allen stonden op toen hij naar hen toe kwam. Jezus deed de spanning wijken door de vriendelijke en broederlijke glimlach die zo karakteristiek voor hem was wanneer zijn volgelingen zichzelf, of de een of andere gebeurtenis waarin ze zelf betrokken waren, te ernstig opvatten. Met een bevelend gebaar beduidde hij, dat ze moesten gaan zitten. Daarna gebeurde het nooit weer dat de twaalf hun Meester begroetten door op te staan. Ze zagen dat hij zo’n uiterlijk vertoon van respect niet op prijs stelde.

(1747.2) 157:4.4 Na de maaltijd, toen ze bezig waren plannen te bespreken voor de komende tocht door de Dekapolis, hief Jezus plotseling zijn hoofd op, keek hen aan en zei: ‘Nu er een hele dag is verstreken sinds jullie hebben ingestemd met de verklaring van Petrus over de identiteit van de Zoon des Mensen, zou ik jullie willen vragen of je nog steeds bij je beslissing blijft?’ Toen ze dit hoorden, stonden de twaalf op en Petrus deed een paar stappen naar Jezus toe en zei: ‘Ja, Meester. Wij geloven dat u de Zoon van de levende God bent.’ Waarop Petrus en zijn broeders weer gingen zitten.

(1747.3) 157:4.5 Jezus bleef staan en zei tot de twaalf: ‘Jullie zijn mijn uitverkoren amabassadeurs, maar ik weet dat jullie in de gegeven omstandigheden dit geloof niet zouden kunnen hebben ten gevolge van louter menselijke kennis. Dit is een openbaring van de geest van mijn Vader aan het diepst van jullie ziel. En wanneer jullie derhalve deze belijdenis aflegt door het inzicht van de geest van mijn Vader die binnen in jullie woont, word ik ertoe bewogen te verklaren dat ik op deze grondslag de broederschap van het koninkrijk des hemels zal bouwen. Op deze rots van geestelijke werkelijkheid zal ik de levende tempel bouwen van geestelijke gemeenschap in de eeuwige werkelijkheden van het koninkrijk van mijn Vader. Alle machten van het kwaad en de heerscharen van de zonde zullen niet over deze menselijke broederschap van de goddelijke geest kunnen zegevieren. En terwijl de geest van mijn Vader altijd de goddelijke gids en mentor zal zijn van allen die het verband met deze geestelijke gemeenschap aangaan, overhandig ik nu aan jullie en jullie opvolgers de sleutels van het uiterlijke koninkrijk – het gezag in wereldlijke zaken – de sociale en economische aspecten van deze vereniging van mannen en vrouwen die broeders zijn in het koninkrijk.’ En opnieuw bond hij hun op het hart om voorlopig niemand te zeggen dat hij de Zoon van God was.

(1747.4) 157:4.6 Jezus begon vertrouwen te krijgen in de trouw en integriteit van zijn apostelen. De Meester bedacht dat een geloof dat bestand was tegen hetgeen zijn gekozen apostelen kortgeleden hadden doorgemaakt, ongetwijfeld ook de vuurproef zou kunnen doorstaan die hen in de nabije toekomst wachtte, en dat zij uit de ogenschijnlijke schipbreuk van al hun verwachtingen zouden opduiken in het nieuwe licht van een nieuwe dispensatie, en daardoor in staat zouden zijn uit te gaan om de wereld die in duisternis was gezeten, te verlichten. Op deze dag begon Jezus geloof te krijgen in het geloof van zijn apostelen, op één na.

(1747.5) 157:4.7 En sinds die dag is deze zelfde Jezus steeds bezig geweest deze levende tempel te bouwen op hetzelfde eeuwige fundament van zijn goddelijk zoonschap, en zij die daardoor zelf-bewuste zonen van God worden, zijn de menselijke bouwstenen die samen deze levende tempel van zoonschap vormen, de tempel die wordt opgericht ter ere en heerlijkheid van de wijsheid en liefde van de eeuwige Vader der geesten.

(1747.6) 157:4.8 Toen Jezus zo had gesproken, gaf hij de twaalf opdracht om ieder afzonderlijk tot de avondmaaltijd de heuvels in te gaan, om wijsheid, sterkte en geestelijke leiding te zoeken. En zij deden wat de Meester hun had gezegd.

5. Het nieuwe begrip

(1748.1) 157:5.1 Het nieuwe, essentiële kenmerk van de belijdenis van Petrus was de duidelijk uitgesproken erkenning dat Jezus de Zoon van God was, dat zijn goddelijkheid buiten twijfel stond. Sinds zijn doop en de bruiloft te Kana hadden deze apostelen hem op verschillende wijzen steeds als de Messias gezien, maar het was niet een onderdeel van de Joodse voorstelling van de nationale verlosser dat deze goddelijk moest zijn. De Joden hadden niet onderricht dat de Messias een goddelijke oorsprong zou hebben: hij zou weliswaar de ‘gezalfde’ zijn, maar zij hadden zich hem bijna nooit als ‘de Zoon van God’ voor ogen gesteld. In de tweede belijdenis werd meer nadruk gelegd op de gecombineerde natuur, het verheven feit dat hij de Zoon des Mensen was en de Zoon van God, en Jezus verklaarde dat hij op deze grootse waarheid van de tweeëenheid van de menselijke natuur en de goddelijke natuur, het koninkrijk des hemels zou bouwen.

(1748.2) 157:5.2 Het streven van Jezus was geweest om op aarde als de Zoon des Mensen te leven en zo ook zijn zelfschenkingsmissie te voltooien. Zijn volgelingen waren bereid hem te zien als de verwachte Messias. Wetende dat hij nooit aan hun Messiaanse verwachtingen zou kunnen beantwoorden, poogde hij een zodanige modificatie in hun voorstelling van de Messias teweeg te brengen, dat hij daardoor gedeeltelijk aan hun verwachtingen tegemoet zou kunnen komen. Maar hij zag nu in dat dit plan nauwelijks met goed gevolg kon worden uitgevoerd. Daarom verkoos hij vrijmoedig met het derde plan voor de dag te komen – om openlijk zijn goddelijkheid te verkondigen, de waarheid van Petrus’ belijdenis te erkennen, en ronduit aan de twaalf te verkondigen dat hij een Zoon van God was.

(1748.3) 157:5.3 Drie jaar lang had Jezus verkondigd dat hij de ‘Zoon des Mensen’ was, terwijl de apostelen gedurende deze zelfde drie jaar steeds krachtiger volhielden dat hij de verwachte Joodse Messias was. Hij onthulde hun nu dat hij de Zoon van God was, en besloot om op het begrip van de gecombineerde natuur van de Zoon des Mensen en de Zoon van God het koninkrijk des hemels te bouwen. Hij had besloten af te zien van verdere pogingen om hen te overtuigen dat hij niet de Messias was. Hij nam zich nu voor hun vrijmoedig te openbaren wat hi j is, en daarna geen acht meer te slaan op hun vastbeslotenheid om hem als de Messias te blijven zien.

6. De volgende middag

(1748.4) 157:6.1 Jezus en de apostelen bleven nog een dag ten huize van Celsus in afwachting van de koeriers van David Zebedeüs, die geld zouden komen brengen. Het wegvallen van de populariteit van Jezus bij de menigten had ten gevolge dat ook de inkomsten sterk terugliepen. Toen zij in Caesarea-Filippi aankwamen, was de kas leeg. Matteüs was ongenegen Jezus en zijn broeders te verlaten op zo’n ogenblik, en hij had geen eigen contant geld bij zich om aan Judas over te dragen, zoals hij in het verleden zo dikwijls had gedaan. David Zebedeüs echter had voorzien dat deze vermindering van inkomsten waarschijnlijk wel zou plaatsvinden en dus had hij zijn koeriers geïnstrueerd dat zij, als zij door Judea, Samaria en Galilea trokken, moesten optreden als inzamelaars van geld dat aan de uitgeweken apostelen en hun Meester gebracht moest worden. En zo arriveerden tegen de avond deze koeriers uit Betsaïda en brachten voldoende geld mee voor het levensonderhoud van de apostelen tot aan hun terugkeer, waarna zij de rondreis door de Dekapolis zouden beginnen. Matteüs verwachtte tegen die tijd het geld te krijgen van de verkoop van zijn laatste bezit in Kafarnaüm en had geregeld dat deze gelden anoniem aan Judas zouden worden overgedragen.

(1749.1) 157:6.2 Noch Petrus, noch de andere apostelen hadden een erg adequate opvatting van de goddelijkheid van Jezus. Zij beseften nauwelijks dat dit het begin was van een nieuw tijdperk in de loopbaan van hun Meester op aarde, de tijd dat de leraar-genezer de Messias werd zoals hij op nieuwe wijze werd begrepen – de Zoon van God. Van deze tijd af aan klonk er een nieuwe toon in de boodschap van de Meester. Voortaan was het enige ideaal in zijn leven de openbaring van de Vader, terwijl hij in zijn onderricht alleen werd bewogen door de idee om aan zijn universum de verpersoonlijking aan te bieden van de allerhoogste wijsheid die alleen kan worden begrepen door haar te leven. Hij kwam opdat wij allen leven zouden hebben, en het meer in overvloed zouden hebben.

(1749.2) 157:6.3 Jezus begon nu aan het vierde en laatste stadium van zijn leven als mens in het vlees. Het eerste stadium was zijn kindertijd, de jaren toen hij zich slechts vaag bewust was van zijn oorsprong, natuur en bestemming als mens. Het tweede stadium werd gevormd door de jaren van zijn jeugd en aankomende volwassenheid, waarin hij zich steeds meer bewust werd van zichzelf, en zijn goddelijke natuur en menselijke missie duidelijker ging begrijpen. Dit tweede stadium eindigde met de ervaringen en openbaringen die verbonden waren met zijn doop. Het derde stadium van de ervaring van de Meester op aarde duurde alle jaren van zijn optreden als leraar en genezer sinds zijn doop tot aan dit gewichtige uur van de belijdenis van Petrus in Caesarea-Filippi. Deze derde periode in zijn leven op aarde besloeg de tijden toen zijn apostelen en de volgelingen uit zijn onmiddellijke omgeving hem kenden als de Zoon des Mensen en hem beschouwden als de Messias. De vierde en laatste periode van zijn aardse loopbaan begon hier te Caesarea-Filippi en duurde tot de kruisiging. Dit stadium van zijn dienstbetoon werd gekenmerkt door de erkenning van zijn goddelijkheid, en omvatte de werken van zijn laatste jaar in het vlees. Terwijl hij gedurende deze vierde periode door de meerderheid van zijn volgelingen nog steeds werd beschouwd als de Messias, gingen de apostelen hem zien als de Zoon van God. De belijdenis van Petrus gaf het begin aan van deze nieuwe periode van de meer volledige verwezenlijking van de waarheid van zijn allerhoogste dienstbetoon als zelfschenking-Zoon op Urantia en ten behoeve van een heel universum, en de onderkenning van dat feit, althans vaag, door zijn gekozen ambassadeurs.

(1749.3) 157:6.4 Aldus illustreerde Jezus in zijn leven hetgeen hij in zijn religie onderrichtte: de groei van de geestelijke natuur door de methode van levende vooruitgang. Hij legde geen nadruk op de onophoudelijke worsteling tussen ziel en lichaam, hetgeen zijn latere volgelingen wel deden. Hij onderrichtte veeleer dat de geest met gemak beide overwint en doeltreffend heilzame vrede sticht in veel van deze intellectuele en instinctmatige oorlogvoering.

(1749.4) 157:6.5 Al wat Jezus vanaf dit tijdstip onderrichtte, heeft een nieuwe betekenis. Vóór Caesarea-Filippi bracht hij het evangelie van het koninkrijk als de eerste leraar van dit evangelie. Na Caesarea-Filippi trad hij niet alleen op als leraar, maar ook als de goddelijke vertegenwoordiger van de eeuwige Vader die het middelpunt en de omtrek is van dit geestelijke koninkrijk, en er werd van hem gevraagd dat hij dit alles deed als mens, als de Zoon des Mensen.

(1749.5) 157:6.6 Jezus had ernstig geprobeerd zijn volgelingen het geestelijke koninkrijk binnen te leiden als leraar, en daarna als leraar-genezer, maar zij wilden het zo niet. Hij wist heel goed dat zijn missie op aarde met geen mogelijkheid de Messiaanse verwachtingen van het Joodse volk kon vervullen: de profeten van weleer hadden een Messias uitgebeeld die hij nooit kon zijn. Hij trachtte het koninkrijk des Vaders op te richten als de Zoon des Mensen, maar zijn volgelingen wilden geen voortgang maken met deze avontuurlijke onderneming. Jezus, dit inziende, verkoos toen om zijn gelovigen gedeeltelijk tegemoet te komen en aldus maakte hij zich gereed om openlijk de rol van zelfschenking-Zoon van God op zich te nemen.

(1750.1) 157:6.7 Dientengevolge hoorden de apostelen veel dat nieuw was toen Jezus die dag in de tuin tot hen sprak. En sommige van deze uitspraken klonken hun zelfs vreemd in de oren. Ze hoorden verschillende uitzonderlijke uitspraken, zoals de volgende:

(1750.2) 157:6.8 ‘Wanneer vanaf heden iemand zich bij onze gemeenschap wil voegen, laat hij dan de verplichtingen van het zoonschap op zich nemen en mij volgen. En denk niet dat wanneer ik niet meer bij jullie zal zijn, de wereld jullie beter zal behandelen dan zij jullie Meester behandelde. Indien je mij liefhebt, maak je dan gereed om deze liefde te bewijzen door je bereidheid om het allerhoogste offer te brengen.’

(1750.3) 157:6.9 ‘En luister goed naar wat ik jullie zeg: ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen te roepen, maar zondaren. De Zoon des Mensen is niet gekomen om gediend te worden, doch om te dienen en zijn leven te geven als een gave voor allen. Ik zeg jullie dat ik ben gekomen om hen die verdwaald zijn te zoeken en te redden.’

(1750.4) 157:6.10 ‘Niemand in deze wereld ziet nu de Vader, behalve de Zoon die is uitgegaan van de Vader. Doch indien de Zoon verhoogd wordt, zal hij alle mensen tot zich trekken, en ieder die gelooft in deze waarheid van de gecombineerde natuur van de Zoon zal begiftigd worden met leven dat duurzamer is dan dit tijdperk.’

(1750.5) 157:6.11 ‘We kunnen nog niet openlijk verkondigen dat de Zoon des Mensen de Zoon van God is, maar het is aan jullie geopenbaard; daarom spreek ik ronduit tot jullie over deze mysteriën. Ofschoon ik in deze lichamelijke gestalte voor jullie sta, ben ik uitgegaan van God de Vader. Vóór Abraham was, ben ik. Ik ben waarlijk van de Vader uitgegaan naar deze wereld zoals jullie mij hebt gekend, en ik zeg jullie dat ik binnenkort deze wereld moet verlaten om terug te gaan naar het werk van mijn Vader.’

(1750.6) 157:6.12 ‘En kan jullie geloof nu de waarheid van deze verklaringen verstaan, ondanks mijn waarschuwing dat de Zoon des Mensen niet zal beantwoorden aan de verwachtingen van jullie vaderen, aan hun opvatting van de Messias? Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Kunnen jullie de waarheid aangaande mij geloven ondanks het feit dat, ook al hebben de vossen holen en de vogelen des hemels nesten, ik geen plek heb waar ik mijn hoofd kan neerleggen?’

(1750.7) 157:6.13 ‘Niettemin zeg ik jullie dat de Vader en ik één zijn. Hij die mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Mijn Vader werkt met mij samen in al deze dingen en hij zal mij nooit alleen laten in mijn missie, evenmin als ik jullie ooit zal verlaten wanneer jullie binnenkort uitgaan om dit evangelie in de hele wereld te verkondigen.

(1750.8) 157:6.14 ‘Nu heb ik jullie voor een korte poos met mij afgezonderd, zodat jullie de heerlijkheid kunt verstaan en de grootsheid kunt vatten van het leven waartoe ik jullie heb geroepen: het geloofsavontuur van de oprichting van het koninkrijk van mijn Vader in de harten der mensen, het opbouwen van mijn gemeenschap van levende omgang met de ziel van allen die dit evangelie geloven.’

(1750.9) 157:6.15 De apostelen luisterden zwijgend naar deze stoutmoedige en opzienbarende verklaringen: ze waren sprakeloos. Ze gingen in kleine groepjes uiteen om de woorden van de Meester te bespreken en te overdenken. Ze hadden beleden dat hij de Zoon van God was, maar ze konden niet de volle betekenis vatten van hetgeen waartoe zij geleid waren geworden.

7. De bespreking met Andreas

(1750.10) 157:7.1 Andreas stelde het zich die avond tot taak met ieder van zijn broeders een persoonlijke, diepgaande bespreking te hebben, en hij had nuttige en bemoedigende gesprekken met al zijn metgezellen, behalve met Judas Iskariot. Andreas was nooit zo vertrouwelijk en persoonlijk met Judas omgegaan als met de andere apostelen, en daarom had hij het niet van ernstig belang geacht dat Judas nooit vrijelijk en vertrouwelijk een band had ontwikkeld met het hoofd van het korps der apostelen. Maar Andreas was nu zo verontrust door de houding van Judas, dat hij later op de avond, toen alle apostelen al diep in slaap waren, Jezus ging opzoeken en de Meester zijn reden tot bezorgdheid voorlegde. Jezus zei: ‘Het is niet misplaatst, Andreas, dat je bij mij gekomen bent met deze zaak, maar we kunnen er verder niets aan doen; je moet alleen het volste vertrouwen blijven stellen in deze apostel. En vertel niets aan zijn broeders over dit gesprek met mij.’

(1751.1) 157:7.2 Dit was alles wat Andreas Jezus kon ontlokken. Er had altijd een zekere afstand bestaan tussen deze man uit Judea en zijn broeders uit Galilea. Judas was geschokt geweest door de dood van Johannes de Doper, ernstig gekwetst door de berispingen die de Meester hem bij verschillende gelegenheden had gegeven, teleurgesteld toen Jezus weigerde tot koning te worden uitgeroepen, vernederd toen hij vluchtte voor de Farizeeën, geërgerd toen hij weigerde de uitdaging van de Farizeeën om een wonderteken te doen te aanvaarden, verbijsterd door de weigering van zijn Meester om zijn toevlucht te nemen tot manifestaties van zijn kracht, en nu, sinds kort bedrukt en soms terneergeslagen door een lege kas. En Judas miste de stimulans van de menigten.

(1751.2) 157:7.3 Ieder van de andere apostelen was eveneens tot op zekere, verschillende hoogte beïnvloed door deze beproevingen en tegenspoed, maar zij hielden van Jezus. Zij moeten althans de Meester meer hebben liefgehad dan Judas, want zij gingen met hem door tot het bittere einde.

(1751.3) 157:7.4 Omdat Judas uit Judea afkomstig was, voelde hij zich persoonlijk beledigd door Jezus’ waarschuwing aan de apostelen, kortgeleden om ‘zich in acht te nemen voor de zuurdesem der Farizeeën;’ hij was geneigd deze verklaring op te vatten als een verhulde toespeling op zichzelf. Maar de grote fout van Judas was wel deze: telkens wanneer Jezus zijn apostelen heenzond om in afzondering te bidden, zocht Judas niet de oprechte gemeenschap met de geestelijke krachten van het universum, maar leefde hij zich uit in gedachten van menselijke vrees, terwijl hij subtiele twijfel bleef koesteren aan de missie van Jezus en bleef toegeven aan zijn ongelukkige neiging om er wraakgevoelens op na te houden.

(1751.4) 157:7.5 En nu wilde Jezus zijn apostelen meenemen naar de berg Hermon, waar hij had bepaald dat de vierde fase van zijn dienstbetoon op aarde als de Zoon van God zou worden ingeluid. Sommigen van hen waren aanwezig geweest bij zijn doop in de Jordaan en hadden de aanvang meegemaakt van zijn loopbaan als de Zoon des Mensen, en hij wenste dat sommigen van hen ook aanwezig zouden zijn om aan te horen hoe hij gemachtigd zou worden om zijn nieuwe, publieke rol als een Zoon van God op zich te nemen. Dientengevolge zei Jezus vrijdagochtend, 12 augustus, tot de twaalf: ‘Sla voorraden in en maak je klaar voor een tocht naar die berg daarginds, waar de geest mij gelast heen te gaan om begiftigd te worden ten behoeve van het einde van mijn werk op aarde. En ik wil graag mijn broeders meenemen, zodat zij ook gesterkt mogen worden voor de moeilijke tijd waarin zij met mij deze ervaring zullen doormaken.’


Información de fondo

AfdrukkenAfdrukken

Urantia Foundation, 533 W. Diversey Parkway, Chicago, IL 60614, USA
Telefoon: +1-773-525-3319
© Urantia Foundation. Alle rechten voorbehouden