Verhandeling 3 - De eigenschappen van God

   
  Paragraaf Nummers: Aan | Uit
AfdrukkenAfdrukkenStuur naar vriendStuur naar vriend

Het Urantia Boek

Verhandeling 3

De eigenschappen van God

(44.1) 3:0.1 GOD is overal tegenwoordig; de Universele Vader regeert de cirkelgang der eeuwigheid. In de plaatselijke universa echter, regeert hij door de personen van zijn Schepper-Zonen uit het Paradijs, zoals hij ook leven schenkt door deze Zonen. ‘God heeft ons eeuwig leven gegeven, en dit leven is in zijn Zonen.’ Deze Schepper-Zonen zijn Gods persoonlijke uitdrukking van zichzelf in de sectoren van de tijd en aan de kinderen van de wervelende planeten in de evoluerende universa der ruimte.

(44.2) 3:0.2 Deze Zonen van God, die sterk zijn gepersonaliseerd, zijn duidelijk waarneembaar voor de geschapen denkende wezens van de lagere orden, en zo vormen zij een compensatie voor de onzichtbaarheid van de oneindige, en derhalve minder waarneembare Vader. De uit het Paradijs afkomstige Schepper-Zonen van de Universele Vader zijn een openbaring van een overigens onzichtbaar wezen, onzichtbaar vanwege de absoluutheid en oneindigheid die inherent zijn aan de cirkelgang der eeuwigheid en aan de persoonlijkheden van de Paradijs-Godheden.

(44.3) 3:0.3 Dat hij een Schepper is, kan men moeilijk een eigenschap van God noemen, het is veeleer het samenstel van zijn handelende natuur. En deze universele functie van zijn schepper-zijn, wordt eeuwig gemanifesteerd zoals zij wordt bepaald en beheerst door alle gecoördineerde eigenschappen der oneindige, goddelijke werkelijkheid van de Eerste Bron en Centrum. Wij betwijfelen ten zeerste of er één kenmerk van de goddelijke natuur als voorafgaand aan de andere kan worden beschouwd, doch indien zulks het geval zou zijn, dan zou het schepper-zijn van de Godheid aan al zijn andere naturen, activiteiten en eigenschappen voorafgaan. En het schepper-zijn van de Godheid culmineert in de universele waarheid van het Vaderschap van God.

(44.4) 3:1.1 Het vermogen van de Universele Vader om overal terzelfdertijd tegenwoordig te zijn, vormt zijn alomtegenwoordigheid. God alleen kan op twee, op talloze plaatsen, terzelfdertijd zijn. God is tegelijkertijd tegenwoordig ‘in de hemel boven en op de aarde beneden;’ zoals de Psalmist uitriep: ‘Waarheen zou ik gaan voor uw geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht?’

(44.5) 3:1.2 ‘Ik ben een God van nabij en ook van verre,’ zegt de Heer. ‘Vervul ik niet hemel en aarde?’ De Universele Vader is te allen tijde tegenwoordig in alle delen en in alle harten van zijn wijdverbreide schepping. Hij is ‘de volheid van hem die alles in allen vervult’ en ‘die alles verricht in allen,’ en voorts is het denkbeeld van zijn persoonlijkheid van dien aard, dat ‘de hemel (het universum) en de hemel der hemelen (het universum van universa) hem niet kunnen omvatten.’ Het is letterlijk waar dat God alles is in allen. Maar zelfs dat is niet alles van God. De Oneindige kan alleen in de oneindigheid finaal geopenbaard worden: de oorzaak kan nimmer volledig worden begrepen door een analyse van gevolgen. De levende God is onmetelijk veel groter dan de totale som der schepping die tot aanzijn is gekomen ten gevolge van de scheppingsdaden van zijn ongebonden vrije wil. God wordt in de ganse kosmos geopenbaard, maar de kosmos kan nooit de totaliteit der oneindigheid Gods bevatten of omvatten.

(45.1) 3:1.3 De tegenwoordigheid van de Vader patrouilleert zonder ophouden door het meester-universum. ‘Van het ene einde des hemels is zijn opgang en zijn omloop tot het andere einde; niets blijft verborgen voor zijn licht.’

(45.2) 3:1.4 Het schepsel bestaat niet alleen in God, maar God leeft ook in het schepsel. ‘Wij weten dat wij in hem wonen, omdat hij in ons leeft; hij heeft ons zijn geest gegeven. Dit geschenk van de Paradijs-Vader is ’s mensen onafscheidelijke metgezel.’ Hij is de immer-tegenwoordige God, die het al doordringt. ‘De geest van de eeuwige Vader schuilt in het bewustzijn van ieder sterfelijk kind.’ ‘De mens gaat uit om een vriend te zoeken, terwijl die vriend juist in zijn eigen hart woont.’ ‘De ware God is niet ver weg, hij is een deel van ons; zijn geest spreekt van binnen uit tot ons.’ ‘De Vader leeft in het kind. God is altijd bij ons. Hij is de geest die ons leidt naar onze eeuwige bestemming.’

(45.3) 3:1.5 Terecht is van het mensdom gezegd: ‘Gij zijt van God’, want ‘hij die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem.’ Wanneer ge overtredingen begaat, kwelt ge zelfs de inwonende gave Gods, want de Gedachtenrichter moet de gevolgen van het denken van het kwade noodzakelijkerwijze mee doormaken samen met het menselijke bewustzijn waarin hij is gekerkerd.

(45.4) 3:1.6 De alomtegenwoordigheid van God is in werkelijkheid een deel van zijn oneindige natuur: de ruimte vormt geen barrière voor de Godheid. In volmaaktheid en zonder beperking is God alleen waarneembaar tegenwoordig op het Paradijs en in het centrale universum. Hij is niet op dezelfde wijze merkbaar tegenwoordig in de scheppingen die rond Havona wentelen, want God heeft zijn directe, daadwerkelijke tegenwoordigheid ingeperkt, omdat hij de soevereiniteit en goddelijke prerogatieven respecteert van de scheppers en regeerders der universa in tijd en ruimte, die zijn gelijken zijn. Vandaar dat het begrip der goddelijke tegenwoordigheid een grote verscheidenheid van manieren en kanalen van manifestatie moet kunnen omvatten, waaronder de tegenwoordigheidscircuits van de Eeuwige Zoon, de Oneindige Geest en het Paradijs-Eiland. Het is ook niet altijd mogelijk onderscheid te maken tussen de tegenwoordigheid van de Universele Vader en de handelingen van zijn eeuwige medescheppers en instrumenten, zo volmaakt voldoen deze aan alle oneindige vereisten van zijn onveranderlijk voornemen. Maar met het persoonlijkheidscircuit en de Richters ligt het anders: hier werkt God alleen, rechtstreeks en uitsluitend zelf.

(45.5) 3:1.7 In de zwaartekrachtcircuits van het Paradijs-Eiland is de Universele Albeheerser te allen tijde en in dezelfde mate, overeenkomstig de massa, potentieel tegenwoordig in alle delen van het universum, in respons op de materiële behoeften aan deze tegenwoordigheid en ook vanwege de inherente natuur van de gehele schepping, waardoor alle dingen in hem samenhangen en in hem hun bestaan hebben. De Eerste Bron en Centrum is eveneens potentieel tegenwoordig in het Ongekwalificeerd Absolute, de schatkamer van de nog ongeschapen universa van de eeuwige toekomst. God doordringt aldus potentieel de fysische universa van verleden, heden, en toekomst. Hij is de oergrond van de coherentie der zogenaamde materiële schepping. Dit niet-geestelijke Godheidspotentieel wordt op het gehele niveau van fysische bestaansvormen hier en daar actueel, doordat op onverklaarbare wijze een bepaalde kracht, waarvan uitsluitend hij zich bedient, binnendringt op het toneel waar zich de handeling van het universum afspeelt.

(45.6) 3:1.8 De bewustzijnstegenwoordigheid van God is gecorreleerd met het absolute bewustzijn van de Vereend Handelende Geest, de Oneindige Geest, maar overal in de eindige scheppingen kan zij beter worden waargenomen in het functioneren van het kosmische bewustzijn van de Meester-Geesten van het Paradijs. Zoals de Eerste Bron en Centrum potentieel aanwezig is in de bewustzijnscircuits van de Vereend Handelende Geest, zo is hij ook potentieel aanwezig in de spanningen van het Universeel Absolute. Maar bewustzijn van de menselijke orde is een gave van de Dochters van de Vereend Handelende Geest, de Goddelijke Hulp- en Bijstandverleensters in de evoluerende universa.

(46.1) 3:1.9 De alomtegenwoordige geest van de Universele Vader is gecoördineerd met de werking van de universele geest-tegenwoordigheid van de Eeuwige Zoon en het eeuwige goddelijke potentieel van het Godheid-Absolute. Maar noch de geestelijke activiteit van de Eeuwige Zoon en diens Paradijs-Zonen, noch de schenkingen van bewustzijn door de Oneindige Geest, schijnen een beletsel te vormen voor de rechtstreekse activiteit van de Gedachtenrichters, de inwonende fragmenten van God in de harten van zijn geschapen kinderen.

(46.2) 3:1.10 Wat nu de tegenwoordigheid Gods op een planeet, in een stelsel, constellatie of universum betreft: de mate van die tegenwoordigheid in iedere eenheid der schepping is een graadmeter voor de evoluerende tegenwoordigheid van de Allerhoogste: deze wordt bepaald door de massale erkenning van God en door trouw aan hem van de zijde van de ontzaglijke organisatie van het universum, tot en met de stelsels en planeten zelf. In de hoop die bereikte fasen van Gods kostbare tegenwoordigheid in stand te houden en veilig te stellen, gebeurt het daarom soms dat enige planeten (of zelfs stelsels), wanneer deze tot diepe geestelijke duisternis zijn vervallen, in zekere zin in quarantaine worden gesteld, of ten dele worden uitgesloten van de communicatie met de grotere eenheden der schepping. En dit alles, zoals het ook op Urantia werkt, is een geestelijk defensieve reactie van de meerderheid der werelden, om zich zoveel mogelijk te vrijwaren van de afzondering die het gevolg zou zijn van de tot vervreemding leidende daden van een koppige, verdorven en opstandige minderheid.

(46.3) 3:1.11 Terwijl de Vader als een ouder al zijn zonen – alle persoonlijkheden – in zijn circuit opneemt, wordt zijn invloed in hen beperkt doordat hun afkomst zo ver afligt van de Tweede en de Derde Persoon der Godheid, en wordt zijn invloed groter naarmate zij bij het bereiken van hun bestemming deze niveaus naderen. Het feit van Gods tegenwoordigheid in het bewustzijn van een mens hangt af van de vraag of er in dit bewustzijn al dan niet een Vader-fragment, zoals de Geheimnisvolle Mentor, inwoont, maar zijn effectieve aanwezigheid wordt bepaald door de mate van medewerking die aan deze inwonende Richter wordt verleend door het bewustzijn waarin hij verblijft.

(46.4) 3:1.12 De schommelingen in de aanwezigheid van de Vader zijn niet te wijten aan de veranderlijkheid van God. De Vader trekt zich niet in afzondering terug omdat hij versmaad is: zijn liefde wordt niet aangetast door de wandaden van het schepsel. Het is veeleer zo dat zijn kinderen, die begiftigd zijn met het vermogen te kiezen (ten aanzien van hem), door het maken van die keuze rechtstreeks de graad en de grens van de goddelijke invloed van de Vader in hun eigen hart en ziel bepalen. De Vader heeft zichzelf vrijelijk aan ons gegeven, zonder beperking en zonder bevoorrechting. Hij kent geen aanzien van personen, planeten, stelsels of universa. In de sectoren der tijd bekleedt hij alleen de Paradijs-persoonlijkheden van God de Zevenvoudige, de scheppers van de eindige universa die zijn gelijken zijn, met onderscheidende eerbewijzen.

(46.5) 3:2.1 Alle universa weten dat ‘God de Heer, de Almachtige, regeert.’ De zaken van deze wereld en andere werelden staan onder goddelijk toezicht. ‘Hij doet naar zijn wil met het heer des hemels en de bewoners der aarde.’ Het blijft eeuwig waar, ‘er is geen macht dan van God.’

(46.6) 3:2.2 Binnen de grenzen van hetgeen strookt met de goddelijke natuur, is het letterlijk waar dat ‘bij God alle dingen mogelijk zijn.’ De langdurige evolutieprocessen van volken, planeten en universa worden volmaakt beheerst door de scheppers en bestuurders van de universa en ontvouwen zich in overeenstemming met het eeuwige voornemen van de Universele Vader: zij spelen zich af in harmonie en orde, en volgens het alwijze plan van God. Er is slechts één wetgever. Hij schraagt de werelden in de ruimte en doet de universa de eindeloze cirkelgang van het eeuwige circuit beschrijven.

(47.1) 3:2.3 Van alle goddelijke eigenschappen wordt zijn almacht nog het beste begrepen, vooral zoals deze geldt in het materiële universum. Gezien als een niet-geestelijk verschijnsel, is God energie. Deze uitspraak, die een natuurkundig feit vaststelt, is gebaseerd op de ondoorgrondelijke waarheid dat de Eerste Bron en Centrum de eerste en oorspronkelijke oorzaak is van de universele natuurkundige verschijnselen in de gehele ruimte. Van deze goddelijke activiteit worden alle fysische energie en andere materiële manifestaties afgeleid. Licht, te weten licht zonder warmte, is eveneens één van de niet-geestelijke manifestaties van de Godheden. Er is nog een andere vorm van niet-geestelijke energie die praktisch onbekend is op Urantia; het bestaan ervan wordt tot nog toe niet onderkend.

(47.2) 3:2.4 God bestuurt en beheerst alle vermogen: hij heeft ‘een weg bereid voor de bliksem;’ hij heeft de circuits van alle energie ingesteld. Hij heeft de tijd en wijze van manifestatie van alle vormen van energie-materie verordineerd. Al deze dingen houdt hij voor immer in zijn eeuwige greep – in de gravitationele beheersing die geconcentreerd is aan de onderzijde van het Paradijs. Het licht en de energie van de eeuwige God blijven zo eeuwig rondwentelen in zijn majesteitelijk circuit, de eindeloze maar ordelijke processie van de heerscharen der sterren die het universum van universa vormen. De ganse schepping cirkelt voor immer rond de Paradijs-Persoonlijkheid die het centrum is van alle dingen en wezens.

(47.3) 3:2.5 De almacht van de Vader behoort tot het absolute niveau dat overal domineert: op dit niveau zijn de drie energieën, de materiële, de mentale en de geestelijke, in de onmiddellijke nabijheid van hem – de Bron van alle dingen – niet van elkaar te onderscheiden. Het bewustzijn van het schepsel reageert niet rechtstreeks op de Universele Vader, daar het noch Paradijs-monota, noch Paradijs-geest is. God richt zich naar het onvolmaakte bewustzijn – bij de stervelingen van Urantia door de Gedachtenrichters.

(47.4) 3:2.6 De Universele Vader is niet een kracht van voorbijgaande aard, een veranderlijke kracht, of een energie die aan schommelingen onderhevig is. De macht en wijsheid van de Vader zijn geheel voldoende om te kunnen voorzien in alle dringende noden die zich ook maar in het universum kunnen voordoen. Wanneer er in de menselijke ervaring noodtoestanden ontstaan, heeft hij ze reeds alle voorzien en daarom reageert hij niet op afstandelijke wijze op de aangelegenheden van het universum, maar veeleer in overeenstemming met de eisen der eeuwige wijsheid en in harmonie met wat zijn oneindig oordeelsvermogen hem zegt te doen. Ook al lijkt het soms misschien anders, de macht Gods functioneert niet als een blinde kracht in het universum.

(47.5) 3:2.7 Er doen zich wel situaties voor waarin het lijkt alsof er noodmaatregelen getroffen zijn, alsof er natuurwetten buiten werking zijn gesteld, alsof erkend wordt dat er ontsporingen hebben plaatsgevonden en dat er een poging wordt gedaan om de situatie recht te zetten, maar dit is niet het geval. Zulke ideeën over God komen voort uit uw beperkte blik, uit de eindigheid van uw begrip en uit de begrensdheid van wat ge kunt overzien: dit misverstaan van God is te wijten aan uw verregaande onwetendheid aangaande het bestaan van de hogere wetten van het gebied, de grootsheid van het karakter van de Vader, de oneindigheid van zijn eigenschappen, en het feit dat hij een vrije wil heeft.

(47.6) 3:2.8 De planetaire schepselen bij wie Gods geest inwoont, her en der verspreid door de universa in de ruimte, zijn zo bijna oneindig in aantal en orden, hun verstand is zo verschillend, hun bewustzijn zo beperkt en soms zo grof, hun visie zo beknot en beperkt door de eigen omgeving, dat het bijna onmogelijk is generalisaties van de wet te formuleren, die de oneindige eigenschappen van de Vader adequaat, en tegelijkertijd enigszins begrijpelijk voor deze geschapen denkende wezens, tot uitdrukking brengen. Daarom schijnen vele daden van de almachtige Schepper u, het schepsel, willekeurig en onverschillig toe, en niet zelden harteloos en wreed. Maar ik verzeker u nogmaals dat dit niet waar is. God handelt altijd doelbewust, intelligent, wijs en vriendelijk, en eeuwig bedacht op het hoogste goed, ook al is dat niet altijd het hoogste goed voor een individueel wezen, een individueel volk, een individuele planeet, of zelfs een individueel universum; zijn handelingen zijn echter gericht op het welzijn en het hoogste goed van alle betrokkenen, van de laagste tot de hoogste. In perioden in de tijd kan het welzijn van een deel soms lijken te verschillen van het welzijn van het geheel; in de kringloop der eeuwigheid bestaan zulke schijnbare verschillen niet.

(48.1) 3:2.9 Wij maken allen deel uit van Gods familie en moeten daarom soms de discipline die in het gezin heerst, mede ondergaan. Veel van de daden Gods die ons zo verontrusten en verwarren, zijn het resultaat van de beslissingen en finale beschikkingen van de alwijsheid die de Vereend Handelende Geest machtigen om uit te voeren hetgeen door de onfeilbare wil van het oneindige denken is verkozen, en om op te leggen wat door de persoonlijkheid der volmaaktheid is besloten – door hem wiens overzicht, visie en zorg het hoogste, eeuwige welzijn van zijn gehele ontzaglijke, wijdverbreide schepping omvatten.

(48.2) 3:2.10 Zo vormen uw geïsoleerde, sectionele, eindige, oppervlakkige en in hoge mate materialistische gezichtspunt, en de beperkingen die inherent zijn aan de natuur van uw wezen, zodanige belemmeringen, dat ge niet in staat zijt de wijsheid en vriendelijkheid te zien, te verstaan of te kennen, van vele goddelijke daden die u vol verpletterende wreedheid lijken, en zozeer gekenmerkt door een volstrekte onverschilligheid voor het welbehagen en welzijn, de persoonlijke voorspoed en het geluk, van uw medemens op de planeet. Juist vanwege de begrenzingen van uw menselijke visie, de beperktheid en eindigheid van uw begrip, verstaat ge de motieven van God verkeerd en stelt ge zijn bedoelingen verkeerd voor. Maar er gebeurt veel op de werelden in evolutie dat niet het persoonlijk werk van de Universele Vader is.

(48.3) 3:2.11 De goddelijke almacht is volmaakt gecoördineerd met de andere eigenschappen van Gods persoonlijkheid. De macht van God wordt in zijn geestelijke manifestatie in het universum gewoonlijk slechts beperkt door drie voorwaarden of omstandigheden:

(48.4) 3:2.12 1. door de natuur van God, speciaal door zijn oneindige liefde, door waarheid, schoonheid en goedheid;

(48.5) 3:2.13 2. door de wil van God, door zijn barmhartigheidsbetoon en door zijn vaderlijke verhouding tot de persoonlijkheden van het universum;

(48.6) 3:2.14 3. door de wet van God, door de rechtvaardigheid en gerechtigheid van de eeuwige Paradijs-Triniteit.

(48.7) 3:2.15 God is onbeperkt in macht, goddelijk van natuur, finaal van wil, oneindig in eigenschappen, eeuwig in wijsheid en absoluut van realiteit. Maar al deze kenmerken van de Universele Vader zijn verenigd in de Godheid en worden universeel tot uitdrukking gebracht in de Paradijs-Triniteit en in de goddelijke Zonen van de Triniteit. Overigens wordt buiten het Paradijs en het centrale universum Havona alles wat God aangaat, beperkt door de evolutionaire aanwezigheid van de Allerhoogste, is het afhankelijk van de resulterende tegenwoordigheid van de Ultieme en wordt het gecoördineerd door de drie existentiële Absoluten – het Godheid-Absolute, het Universeel Absolute en het Ongekwalificeerd Absolute. En Gods tegenwoordigheid wordt aldus beperkt omdat zulks Gods wil is.

(48.8) 3:3.1 ‘God weet alle dingen.’ Het goddelijke bewustzijn is bewust van en bekend met het denken der ganse schepping. Zijn kennis der gebeurtenissen is universeel en volmaakt. De goddelijke entiteiten die van hem uitgaan, zijn een deel van hem: hij die ‘de wolken in evenwicht houdt’ is ook ‘volmaakt in kennis.’ ‘De ogen des Heren gaan over alle plaatsen.’ Uw grote leraar heeft over de onbeduidende mussen gezegd: ‘Niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder dat mijn Vader het weet,’en ook: ‘Zelfs de haren op uw hoofd zijn alle geteld.’ ‘Hij telt het getal der sterren; hij noemt ze alle bij name.’

(49.1) 3:3.2 De Universele Vader is de enige persoonlijkheid in het ganse universum, die het aantal der sterren en planeten in de ruimte daadwerkelijk kent. Alle werelden van ieder universum zijn voortdurend in Gods bewustzijn. Hij zegt ook: ‘Ik heb voorzeker de kwelling van mijn volk gezien, ik heb hun geroep gehoord, en ik ken hun smarten.’ Want ‘de Here schouwt uit de hemel, hij slaat alle mensenkinderen gade; uit zijn woonplaats ziet hij neer op alle bewoners der aarde.’ Elk van zijn geschapen kinderen mag waarlijk zeggen: ‘Hij kent de weg die ik ga, en wanneer hij mij beproefd heeft, zal ik als goud te voorschijn komen.’ ‘God kent ons zitten en opstaan, hij verstaat van verre onze gedachten; met al onze wegen is hij bekend.’ ‘Alle dingen liggen open en bloot voor de ogen van hem met wie wij te maken hebben.’ Voor ieder mens moet het dan ook werkelijk een troost zijn om te begrijpen dat ‘hij weet van wat maaksel gij zijt, gedachtig dat gij stof zijt.’ Jezus zei, sprekende over de levende God: ‘Uw Vader weet wat gij van node hebt eer ge hem bidt.’

(49.2) 3:3.3 God bezit een onbeperkt vermogen om alle dingen te kennen: zijn bewustheid is universeel. Zijn persoonlijke circuit omvat alle persoonlijkheden, en zijn kennis van zelfs de nederige schepselen wordt op indirecte wijze aangevuld door de afdalende reeks der goddelijke Zonen, en rechtstreeks door de inwonende Gedachtenrichters. En bovendien is de Oneindige Geest altijd overal tegenwoordig.

(49.3) 3:3.4 Wij weten niet geheel zeker of God al dan niet verkiest om gevallen van zonde tevoren te weten. Maar zelfs indien God de daden die zijn kinderen uit vrije wil doen tevoren zou weten, doet deze voorkennis niet de minste afbreuk aan hun vrijheid. Eén ding is zeker: God komt nooit voor verrassingen te staan.

(49.4) 3:3.5 Almacht houdt niet de macht in om het ondoenlijke te doen, de ongoddelijke daad. Evenmin houdt alwetendheid het kennen van het onkenbare in. Maar zulke uitspraken kunnen wij voor het eindige bewustzijn nauwelijks begrijpelijk maken. Het schepsel kan moeilijk het bereik en de beperkingen van de wil van de Schepper begrijpen.

(49.5) 3:4.1 De successieve schenking van zichzelf aan de universa wanneer deze tot aanzijn worden geroepen, vermindert op generlei wijze het potentieel aan kracht en de schat aan wijsheid die in de centrale persoonlijkheid van de Godheid blijven zetelen en berusten. De Vader heeft het potentieel aan kracht, wijsheid en liefde dat hij bezit nooit ook maar enigszins verminderd, en evenmin heeft hij ooit één eigenschap van zijn glorieuze persoonlijkheid verloren tengevolge van de onbeperkte schenking van zichzelf aan de Paradijs-Zonen, aan de scheppingen die hem ondergeschikt zijn en aan de menigvuldige schepselen daarin.

(49.6) 3:4.2 De schepping van ieder nieuw universum vereist telkens opnieuw een aanpassing van de zwaartekracht; maar zelfs indien het scheppen onbepaald zou doorgaan, voor eeuwig, ja tot in het oneindige, zodat de materiële schepping uiteindelijk zonder begrenzingen zou bestaan, dan nog zou het vermogen tot beheersing en coördinatie dat in het Paradijs-Eiland berust, sterk genoeg blijken voor het bedwingen, het beheersen en het coördineren van zulk een oneindig universum. En na de verlening van zulk een onbeperkte kracht en vermogen aan een onbegrensd universum, zou de Oneindige nog steeds overvloedig beschikken over dezelfde mate aan kracht en energie; het Ongekwalificeerd Absolute zou nog steeds onverminderd zijn; God zou nog steeds hetzelfde oneindig potentieel hebben, alsof er nimmer een uitstorting van kracht, energie en vermogen had plaatsgevonden als schenking aan het ene universum na het andere.

(50.1) 3:4.3 En zo is het ook met de wijsheid: het feit dat bewustzijn op zo ruime schaal wordt toebedeeld aan de denkende wezens in alle gebieden, betekent in geen enkel opzicht een verarming van de centrale bron der goddelijke wijsheid. Wanneer de universa zich vermenigvuldigen en de wezens in die gebieden tot in onvoorstelbare aantallen toenemen, en indien aan deze wezens in hoge en lage staat voortdurend bewustzijn geschonken blijft worden, ook dan zal Gods centrale persoonlijkheid steeds hetzelfde eeuwige, oneindige en alwijze bewustzijn blijven insluiten.

(50.2) 3:4.4 Het feit dat hij geest-boodschappers van zichzelf uitzendt om in te wonen bij de mannen en vrouwen op uw wereld en andere werelden, vermindert geenszins zijn vermogen om als goddelijke en almachtige geest-persoonlijkheid te functioneren; bovendien is er absoluut geen grens aan de mate of het aantal van deze geest-Mentoren die hij kan, en mogelijk ook zal, uitzenden. Dit schenken van zichzelf aan zijn schepselen creëert een onbegrensde, welhaast onvoorstelbare toekomstige mogelijkheid tot achtereenvolgende, steeds hogere levens voor deze goddelijk begiftigde stervelingen. En deze overvloedige uitdeling van zichzelf in de vorm van deze dienende geest-entiteiten vermindert geenszins de wijsheid en volmaaktheid van waarheid en kennis die in de persoon van de alwijze, alwetende, en almachtige Vader berusten.

(50.3) 3:4.5 Voor de stervelingen in de tijd is er een toekomst, maar God woont in de eeuwigheid. Ook al ben ik afkomstig uit een oord dichtbij de verblijfplaats van de Godheid zelve, toch vermeet ik mij niet te zeggen dat ik met volmaakt begrip over de oneindigheid van veel van de goddelijke eigenschappen kan spreken. Alleen een bewustzijn dat oneindig is, kan oneindigheid van bestaan en eeuwigheid van handelen ten volle begrijpen.

(50.4) 3:4.6 De sterfelijke mens kan met geen mogelijkheid de oneindigheid van de hemelse Vader kennen. Het eindige bewustzijn kan een dergelijke absolute waarheid of absoluut feit niet denkende doorgronden. Maar deze zelfde eindige mens kan wel de volle, onverminderde inslag van de LIEFDE van deze oneindige Vader voelen – letterlijk ervaren. Deze liefde kan echt worden ondervonden, al moet worden gezegd dat deze ervaring weliswaar kwalitatief niet beperkt is, maar kwantitatief strikt wordt beperkt door de geestelijke ontvankelijkheid van de mens, en door de hiermee samengaande capaciteit om de liefde van de Vader te beantwoorden.

(50.5) 3:4.7 De eindige appreciatie van oneindige kwaliteiten is veel groter dan de op het terrein der logica beperkte capaciteiten van het schepsel, vanwege het feit dat de sterfelijke mens gemaakt is naar Gods beeld – er woont een fragment der oneindigheid in hem. Daarom nadert de mens het dichtst en het innigst tot God in en door de liefde, want God is liefde. En deze gehele, unieke verhouding is een daadwerkelijke ervaring in kosmische sociologie, de verhouding tussen Schepper en schepsel – de liefde tussen Vader en kind.

(50.6) 3:5.1 In zijn contact met de scheppingen die na Havona zijn ontstaan, oefent de Universele Vader zijn oneindige macht en hoogste gezag niet uit door deze rechtstreeks te laten gelden, maar veeleer door zijn Zonen en de persoonlijkheden die aan dezen ondergeschikt zijn. En God doet dit alles uit eigen vrije wil. Indien er zich daartoe een aanleiding mocht voordoen, indien het goddelijk denken dit zou verkiezen, zou alle gedelegeerde macht ook rechtstreeks kunnen worden uitgeoefend, maar als regel vindt een dergelijk optreden alleen plaats indien de gedelegeerde persoonlijkheid in gebreke is gebleven het hem door God toevertrouwde te volbrengen. Op zulke momenten, wanneer de Vader zich geconfronteerd ziet met dergelijke nalatigheid, handelt hij wèl onafhankelijk en in overeenstemming met de voorschriften die hij zelf gekozen heeft, waarbij hij altijd binnen de grenzen blijft van hetgeen hij zich aan goddelijke macht en potentieel heeft voorbehouden, en zijn keuze is altijd van een feilloze volmaaktheid en oneindige wijsheid.

(51.1) 3:5.2 De Vader regeert door zijn Zonen: er loopt door de organisatie van het universum van hoog tot laag een ononderbroken keten van regeerders, eindigend bij de Planetaire Vorsten die de bestemming van de evolutionaire werelden in de ontzaglijke domeinen van de Vader onder hun hoede hebben. ‘De aarde is des Heren en haar volheid.’ ‘Hij zet koningen af en verheft koningen ten troon.’ ‘De Meest verhevenen regeren in de koninkrijken der mensen.’ Deze uitroepen zijn niet alleen maar uitingen van dichterlijke aard..

(51.2) 3:5.3 In de zaken van het hart der mensen gaat het weliswaar niet altijd zoals de Vader wil, maar in het bewind over en ten opzichte van de bestemming van een planeet wint het goddelijke plan: het eeuwige voornemen van wijsheid en liefde zegeviert.

(51.3) 3:5.4 Jezus zei: ‘Mijn Vader, die ze mij gegeven heeft, is groter dan allen; en niemand is in staat ze uit de hand mijns Vaders te rukken.’ Wanneer ge een glimp opvangt van wat er op velerlei gebied gaande is in Gods welhaast oneindige schepping, en zicht krijgt op de overweldigende onmetelijkheid ervan, is het mogelijk dat uw begrip van zijn primaat aan het wankelen raakt, maar ge moet als zeker aanvaarden dat hij eeuwig troont in het Paradijs- centrum van alle dingen, en dat hij de weldoende Vader is van alle denkende wezens. Er is maar ‘één God en Vader van allen, die boven allen is en in allen,’ en ‘hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan in hem.’

(51.4) 3:5.5 De onzekerheden in het leven en de wisselvalligheden van het bestaan zijn in geen enkel opzicht in tegenspraak met het idee van de universele soevereiniteit van God. Het leven van alle evolutio- naire schepselen is omringd door zekere onvermijdelijkheden. Wil het volgende overwegen:

(51.5) 3:5.6 1. Is moed — karaktersterkte – wenselijk? Dan moet de mens worden grootgebracht in een omgeving die hem noodzaakt te worstelen met ontberingen en te reageren op teleurstellingen.

(51.6) 3:5.7 2. Is altruïsme – het dienen van de medemens – wenselijk? Dan moet de levenservaring van dien aard zijn, dat men ook het hoofd moet bieden aan omstandigheden van sociale ongelijkheid.

(51.7) 3:5.8 3. Is hoop – de grootsheid van vertrouwen – wenselijk? Dan moet het menselijk bestaan voortdurend worden geconfronteerd met risico’s en steeds weerkerende onzekerheden.

(51.8) 3:5.9 4. Is geloof — de hoogste bewering waartoe het menselijke denken kan komen – wenselijk? Dat moet het menselijke bewustzijn in de moeilijke omstandigheid zijn dat het altijd minder weet, dan het kan geloven.

(51.9) 3:5.10 5. Is waarheidsliefde en de bereidheid om te gaan waarheen deze ook leidt, wenselijk? Dan moet de mens opgroeien in een wereld waar dwaling voorhanden is en leugens altijd mogelijk zijn.

(51.10) 3:5.11 6. Is idealisme – het dagende begrip van het goddelijke – wenselijk? Dan moet de mens worstelen in een omgeving van betrekkelijke goedheid en schoonheid, die het onweerstaanbare streven naar het betere stimuleert.

(51.11) 3:5.12 7. Is getrouwheid – de hoogste plichtbetrachting – wenselijk? Dan moet de mens volharden te midden van de mogelijkheden tot ontrouw en afvalligheid. De heldhaftigheid van plichtsbetrachting bestaat in het impliciete gevaar van nalatigheid.

(51.12) 3:5.13 8. Is onbaatzuchtigheid – de geestelijke instelling van onzelfzuchtigheid – wenselijk? Dan moet de sterfelijke mens leven in de confrontatie met een onontkoombaar zelf dat onophoudelijk roept om erkenning en eer. De mens zou niet dynamisch voor het goddelijke leven kunnen kiezen, als er geen ego-leven te verzaken viel. De mens zou zich nimmer de reddende rechtvaardigheid eigen kunnen maken, als er als contrast geen potentieel kwaad was om het goede te verheffen en duidelijker te doen uitkomen.

(51.13) 3:5.14 9. Is genoegen – de voldoening van geluk – wenselijk? Dan moet de mens leven in een wereld waar het alternatief van pijn en de waarschijnlijkheid van lijden immer aanwezige experiëntiële mogelijkheden zijn.

(52.1) 3:5.15 In het gehele universum wordt iedere eenheid als een deel van het geheel beschouwd. De overleving van het deel is afhankelijk van zijn samenwerking met het plan en de bedoeling van het geheel, zijn oprechte verlangen en volkomen bereidheid om de goddelijke wil van de Vader te doen. De enige evolutionaire wereld zonder dwaling (de mogelijkheid van onverstandige oordeelsvorming) zou een wereld zonder vrije intelligentie zijn. Het Havona-universum telt een miljard volmaakte werelden met hun volmaakte bewoners, maar de evolutionaire mens moet feilbaar zijn, wil hij vrij zijn. De vrije, maar nog onervaren intelligentie kan aanvankelijk met geen mogelijkheid over de gehele linie wijs zijn. De mogelijkheid van verkeerde oordeelsvorming (het kwaad) wordt pas tot zonde, wanneer de mens willens en wetens een opzettelijk immoreel oordeel onderschrijft en aanvaardt.

(52.2) 3:5.16 De volle appreciatie van waarheid, schoonheid en goedheid is inherent aan de volmaaktheid van het goddelijke universum. De bewoners van de Havona-werelden hebben het potentiële kwaad dat verbonden is aan de relatieve waarde-niveaus niet nodig als prikkel tot het maken van keuzen: deze volmaakte wezens zijn in staat het goede te onderkennen en te kiezen, ook zonder contrasterende morele situaties die tot bezinning nopen. Maar al deze volmaakte wezens zijn zoals ze zijn, qua morele natuur en geestelijke status, louter door het feit dat zij bestaan. Zij hebben slechts experiëntieel vooruitgang verworven binnen hun inherente status. De sterfelijke mens verdient zelfs zijn status als kandidaat voor de weg omhoog door zijn eigen geloof en hoop. Al het goddelijke dat het menselijke denken begrijpt en de menselijke ziel verwerft, is door ervaring bereikt; het is een realiteit van de persoonlijke ervaring en is daarom een uniek bezit, in tegenstelling tot de inherente goedheid en rechtschapenheid van de onfeilbare persoonlijkheden van Havona.

(52.3) 3:5.17 De schepselen van Havona zijn van nature dapper, maar zij zijn niet oedig in de menselijke zin. Vriendelijkheid en voorkomendheid zijn hun aangeboren, maar men kan hen moeilijk altruïstisch noemen, zoals mensen dat kunnen zijn. Zij verwachten een aangename toekomst, maar leven niet in hope, zoals de sterveling op de onzekere evolutionaire werelden zo vol vertrouwen en voortreffelijk kan doen. Zij geloven in de stabiliteit van het universum, maar het reddende geloof waardoor de sterfelijke mens vanuit de status van een dier opklimt tot aan de poorten van het Paradijs, is hun ten enenmale onbekend. Zij hebben de waarheid lief, maar weten niets van die kwaliteiten van de waarheid die de ziel behouden. Het zijn idealisten, maar zij zijn zo geboren; de vervoering waarmee men zich door eigen stimulerende keuze tot een idealist ontwikkelt, kennen zij in het geheel niet. Zij zijn trouw, maar hebben nimmer de opwinding gevoeld van oprechte, intelligente plichtsbetrachting wanneer men geconfronteerd wordt met de verleiding zijn plicht te verzaken. Zij zijn onbaatzuchtig, maar hebben dit ervaringsniveau niet bereikt door de luisterrijke overwinning op een strijdlustig zelf. Zij kennen genoegen, maar begrijpen niet de zoetheid van genoegen als middel om te ontsnappen aan het potentieel van pijn.

(52.4) 3:6.1 Met goddelijke onbaatzuchtigheid en volkomen edelmoedigheid doet de Universele Vader afstand van gezag en delegeert hij macht, maar hij blijft steeds primair: zijn hand rust op de machtige hefboom van de omstandigheden in de universele domeinen; hij heeft zich alle finale beslissingen voorbehouden en feilloos hanteert hij de almachtige veto-scepter van zijn eeuwig voornemen, met onbetwistbaar gezag over het welzijn en de bestemming van de uitgestrekte, wervelende en steeds rondcirkelende schepping.

(52.5) 3:6.2 De soevereiniteit van God is onbeperkt; zij is het fundamentele feit der ganse schepping. Het universum is niet onvermijdelijk geweest. Het universum is er niet bij toeval en evenmin bestaat het door en in zichzelf. Het universum is een scheppingswerk en is daarom geheel aan de wil van de Schepper onderworpen. De wil van God is goddelijke waarheid, levende liefde; daarom worden de zich vervolmakende scheppingen van de evolutionaire universa gekenmerkt door goedheid – vrijwel goddelijk zijn – en door potentieel kwaad – het verre van goddelijk zijn.

(53.1) 3:6.3 Alle religieuze filosofie komt vroeg of laat tot het denkbeeld van een geïntegreerd universum-bewind, van één God. Universum-oorzaken kunnen niet lager zijn dan universum-gevolgen. De bron van de stromen van het universum-leven en van het kosmische bewustzijn moet zich boven de niveaus bevinden waar zij zich manifesteren. Wil men consequent blijven, dan kan het menselijke bewustzijn niet in termen van de lagere bestaansorden verklaard worden. Men kan het menselijke bewustzijn alleen dan goed begrijpen, wanneer men de realiteit onderkent van hogere orden van denken en doelgerichte wil. De mens als moreel wezen is onverklaarbaar, tenzij de werkelijkheid van de Universele Vader wordt erkend.

(53.2) 3:6.4 De mechanistische filosoof beweert dat hij de idee van een universele, soevereine wil verwerpt, dezelfde soevereine wil waarvoor hij zulk een diep ontzag heeft als het gaat om diens activiteit in de ontwikkeling van de wetten van het universum. Welk een onbedoelde eer bewijst de aanhanger van de mechanistische levensbeschouwing de Schepper van de wetten wanneer hij meent dat deze automatisch werken en zichzelf verklaren!

(53.3) 3:6.5 Het is een zeer domme fout om God te vermenselijken, behalve in het begrip van de inwonende Gedachtenrichter, maar zelfs deze vermenselijking van God is niet zo dom als het volledig mechaniseren van de idee van de Eerste Grote Bron en Centrum.

(53.4) 3:6.6 Lijdt de Paradijs-Vader? Ik weet het niet. De Schepper-Zonen kunnen zeer zeker lijden en lijden soms ook, net als stervelingen. De Eeuwige Zoon en de Oneindige Geest lijden in gemodificeerde zin. Ik denk wel dat de Vader lijdt, maar ik kan niet begrijpen hoe; misschien door het persoonlijkheidscircuit of door de individualiteit van de Gedachtenrichters en andere schenkingen van zijn eeuwige natuur. Met betrekking tot het sterfelijk geslacht heeft hij gezegd: ‘In al uw benauwdheden ben ik mede benauwd.’ Het lijdt geen twijfel dat er bij hem een vaderlijk begrijpen en medegevoel bestaat; het is mogelijk dat hij waarlijk lijdt, maar de aard van zijn lijden begrijp ik niet.

(53.5) 3:6.7 De oneindige, eeuwige Regeerder van het universum van universa is kracht, vorm, energie, proces, patroon, beginsel, tegenwoordigheid en geïdealiseerde werkelijkheid. Maar hij is meer: hij is persoonlijk, hij oefent een soevereine wil uit, hij ervaart zijn eigen bewustzijn van goddelijkheid, hij brengt de opdrachten van een scheppend denken tot uitvoering, hij streeft naar de voldoening van het verwezenlijken van een eeuwig voornemen en legt de liefde en toegenegenheid van een Vader aan de dag voor zijn kinderen in het universum. En al deze meer persoonlijke trekken van de Vader kunnen beter worden verstaan wanneer ge deze beschouwt zoals ze geopenbaard zijn in het zelfschenkingsleven van Michael, uw Schepper-Zoon, toen hij geïncarneerd was op Urantia.

(53.6) 3:6.8 God de Vader heeft de mensen lief; God de Zoon dient de mensen; God de Geest inspireert de kinderen van het universum tot het avontuur van het zoeken naar God de Vader op steeds hogere niveaus, langs de wegen die God de Zonen hebben ingesteld door de dienst der genade van God de Geest.

(53.7) 3:6.9 [Als Goddelijk Raadsman aan wie de taak is toegewezen om de openbaring van de Universele Vader te geven, heb ik dit werk voortgezet met deze verhandeling over de eigenschappen van de Godheid.]

Urantia Foundation, 533 Diversey Parkway, Chicago, IL 60614 USA |
Telefoon: +1-773-525-3319
© Urantia Foundation. Alle rechten voorbehouden