Verhandeling 156 - Het verblijf in Tyrus en Sidon

   
   Red Jesus Text: Aan | Uit    Paragraaf Nummers: Aan | Uit
AfdrukkenAfdrukkenSend by emailSend by email

Het Urantia Boek

Verhandeling 156

Het verblijf in Tyrus en Sidon


(1734.1) 156:0.1 JEZUS en zijn metgezellen kwamen in de middag van vrijdag 10 juni, in de omgeving van Sidon aan, waar zij logeerden ten huize van een welgestelde vrouw die patiënte was geweest in het ziekenhuis in Betsaïda in de tijd dat Jezus op het toppunt stond van zijn populariteit. De evangelisten en de apostelen werden ondergebracht bij haar vrienden in de onmiddellijke nabijheid, en gedurende de Sabbat rustten zij uit in deze verkwikkende omgeving. Zij bleven bijna twee en een halve week in Sidon en omstreken voordat zij zich gereedmaakten om de noordelijker gelegen kuststeden te bezoeken.

(1734.2) 156:0.2 Deze Sabbatdag in juni verliep zeer rustig. De evangelisten en apostelen waren geheel verdiept in hun overpeinzingen over de uiteenzettingen van de Meester over religie, die zij op weg naar Sidon hadden beluisterd. Zij konden allen wel iets waarderen van hetgeen hij hun gezegd had, maar geen van hen begreep de draagwijdte van wat hij hun had onderricht ten volle.

1. De Syrische vrouw

(1734.3) 156:1.1 In de buurt van het huis van Karuska waar de Meester logeerde, woonde een Syrische vrouw die veel over Jezus had horen spreken als een groot genezer en leraar, en op deze Sabbatmiddag kwam zij naar hen toe en bracht haar dochtertje mee. Het kind, dat ongeveer twaalf jaar was, leed aan een ernstige zenuwstoornis die gekenmerkt werd door stuipen en andere verontrustende verschijnselen.

(1734.4) 156:1.2 Jezus had zijn metgezellen opgedragen niemand te zeggen dat hij ten huize van Karuska verbleef en hen uitgelegd dat hij rust wilde nemen. Hoewel zij zich aan de opdracht van de Meester hadden gehouden, was de gedienstige van Karuska naar het huis van deze Syrische vrouw, Norana, gegaan om haar te zeggen dat Jezus ten huize van haar meesteres logeerde, en zij had er bij deze bezorgde moeder op aangedrongen haar zieke dochtertje naar hem te brengen om genezen te worden. Deze moeder geloofde natuurlijk dat haar kind door een boze, onreine geest was bezeten.

(1734.5) 156:1.3 Toen Norana met haar dochtertje aankwam, legden de tweelingzonen van Alfeüs met behulp van een tolk uit dat de Meester rusthield en niet gestoord kon worden, waarop Norana antwoordde dat zij en haar kind ter plekke zouden wachten totdat de Meester klaar was met rusten. Petrus trachtte ook met haar te redeneren en haar te overreden naar huis te gaan. Hij legde haar uit dat Jezus door het vele onderricht en genezingswerk vermoeid was, en dat hij naar Fenicië gekomen was voor een tijdje stilte en rust. Maar dit hielp niet: Norana wilde niet weggaan. Op de dringende verzoeken van Petrus antwoordde zij alleen: ‘Ik ga niet weg voordat ik uw Meester heb gesproken. Ik weet dat hij de boze geest uit mijn kind kan verdrijven, en ik ga niet heen voordat de genezer naar mijn dochter gekeken heeft.’

(1734.6) 156:1.4 Vervolgens probeerde Tomas de vrouw weg te sturen, maar ook dat mislukte. Tegen hem zei ze: ‘Ik geloof vast dat uw Meester deze boze geest waardoor mijn dochter gekweld wordt, kan uitdrijven. Ik heb over zijn machtige werken in Galilea gehoord, en ik geloof in hem. Wat is er met u, zijn discipelen gebeurd, dat u de mensen wegzendt die uw Meester om hulp komen vragen?’ Toen zij dit had gezegd, trok Tomas zich terug.

(1735.1) 156:1.5 Vervolgens kwam Simon Zelotes naar voren om het tegen Norana op te nemen. Simon zei: ‘Vrouw, ge zijt een Grieks-sprekende niet-Jodin. Ge kunt niet verwachten dat de Meester het brood dat bedoeld is voor de kinderen van het bevoorrechte gezin, zal wegnemen om het voor de honden te werpen.’ Maar Norana weigerde aanstoot te nemen aan Simons hatelijkheid. Zij antwoordde slechts: ‘Ja, leraar, ik begrijp wat ge zegt. Ik ben maar een hond in de ogen van de Joden, maar ik ben een gelovige hond waar het uw Meester betreft. Ik ben vastbesloten dat hij mijn dochter zal zien, omdat ik ervan overtuigd ben dat hij maar naar haar hoeft te kijken om haar te genezen. En zelfs u, beste vriend, zoudt het hart niet hebben de honden het voorrecht te ontzeggen om de kruimels te krijgen die af en toe van de tafel van de kinderen vallen.’

(1735.2) 156:1.6 Juist op dit ogenblik kreeg het meisje een hevige stuiptrekking voor aller ogen, en de moeder riep uit: ‘Kijk nu toch, ge kunt zelf zien dat mijn kind door een boze geest bezeten is. Als onze nood op u geen indruk maakt, zal uw Meester er toch zeker voor open staan, want men heeft mij gezegd dat hij alle mensen liefheeft en zelfs niet-Joden durft te genezen als ze geloven. Jullie zijn niet waard zijn discipelen te zijn. Ik ga niet weg voordat mijn kind genezen is.’

(1735.3) 156:1.7 Jezus, die dit hele gesprek door een open raam had aangehoord, kwam tot hun grote verbazing nu naar buiten, en zei: ‘O vrouw, groot is uw geloof, zo groot dat ik u niet kan onthouden wat u verlangt: ga heen in vrede. Uw dochter is reeds genezen.’ En vanaf dat ogenblik was het meisje gezond. Toen Norana en het kind afscheid namen, verzocht Jezus hen dringend met niemand over deze gebeurtenis te spreken; zijn metgezellen voldeden wel aan dit verzoek, maar de moeder en het kind bleven door de hele streek en zelfs in Sidon het feit verkondigen dat het meisje was genezen, zozeer dat Jezus het raadzaam vond om binnen enkele dagen van logeeradres te veranderen.

(1735.4) 156:1.8 Toen Jezus de volgende dag tijdens zijn onderricht aan zijn apostelen commentaar gaf op de genezing van het dochtertje van de Syrische vrouw, zei hij: ‘Zo is het altijd al geweest; jullie zien zelf dat niet-Joden een reddingbrengend geloof aan de dag kunnen leggen in de leer van het evangelie van het koninkrijk des hemels. Voorwaar, voorwaar zeg ik jullie, dat het koninkrijk van mijn Vader door de niet-Joden overgenomen zal worden indien de kinderen Abrahams niet van zins zijn van voldoende geloof blijk te geven om er binnen te gaan.’

2. Het onderricht in Sidon

(1735.5) 156:2.1 Toen zij Sidon binnengingen, kwamen Jezus en zijn metgezellen over een brug, voor velen van hen de eerste die ze ooit hadden gezien. Bij het gaan over deze brug zei Jezus: ‘Deze wereld is maar een brug; je kunt er over heen gaan, maar je moet niet denken dat je er een woonplaats op kunt bouwen.’

(1735.6) 156:2.2 Terwijl de vierentwintig hun werk in Sidon aanvingen, ging Jezus logeren ten huize van Justa en haar moeder Bernice, even ten noorden van de stad. Jezus gaf de vierentwintig ’s morgens onderricht ten huize van Justa, en ’s middags en ’s avonds gingen zij heel Sidon door om te leren en te prediken.

(1735.7) 156:2.3 De apostelen en de evangelisten werden zeer bemoedigd door de wijze waarop deze niet-Joden in Sidon hun boodschap ontvingen: tijdens hun korte verblijf aldaar werden velen tot het koninkrijk gebracht. Deze periode van ongeveer zes weken in Fenicië was een zeer vruchtbare tijd in hun werk van het winnen van zielen, maar de latere Joodse schrijvers van de Evangeliën gingen over het algemeen luchtig voorbij aan het verslag van de warme ontvangst van de leer van Jezus bij deze niet-Joden, juist in de tijd dat zo’n groot aantal van zijn eigen volk zich vijandig tegenover hem had opgesteld.

(1736.1) 156:2.4 In vele opzichten hadden deze niet-Joodse gelovigen meer waardering voor de leer van Jezus dan de Joden. Velen van deze Grieks-sprekende Syro-Feniciërs kwamen niet alleen tot het inzicht dat Jezus zoals God was, maar ook dat God zoals Jezus was. Deze zogenaamde heidenen verwierven een goed begrip van het onderricht van de Meester over de uniformiteit van de wetten van deze wereld en het gehele universum. Ze begrepen het onderricht dat God geen aanzien des persoons kent, noch van rassen of van volkeren; dat er geen bevoorrechting bestaat bij de Universele Vader; dat het universum zich immer volledig aan wetten houdt en feilloos betrouwbaar is. Deze niet-Joden waren niet bang voor Jezus: zij durfden zijn boodschap te aanvaarden. Het is niet zo dat de mensen door de eeuwen heen Jezus niet hebben kunnen begrijpen; zij durfden hem niet te begrijpen.

(1736.2) 156:2.5 Jezus maakte de vierentwintig duidelijk dat hij niet uit Galilea was gevlucht omdat hem de moed ontbrak zijn vijanden het hoofd te bieden. Zij begrepen dat hij nog niet bereid was tot een openlijk conflict met de bestaande godsdienst, en dat hij er niet op uit was een martelaar te worden. Tijdens een van deze besprekingen ten huize van Justa zei de Meester voor de eerste maal: ‘Zelfs al zullen hemel en aarde voorbijgaan, zullen mijn woorden van waarheid niet voorbijgaan.’

(1736.3) 156:2.6 Het thema van het onderricht van Jezus tijdens het verblijf te Sidon was geestelijke groei. Hij zei hun dat zij niet konden blijven stilstaan: zij moesten vooruit gaan in rechtvaardigheid of terugvallen tot kwaad en zonde. Hij vermaande hen ‘de dingen die tot het verleden behoren te vergeten, terwijl je doorzet om de grotere werkelijkheden van het koninkrijk te omhelzen.’ Hij verzocht hen dringend niet tevreden te zijn met hun kindsheid in het evangelie, maar te streven naar het bereiken van de volle wasdom van het goddelijke zoonschap in de gemeenschap van de geest en in de broederschap der gelovigen.

(1736.4) 156:2.7 Jezus zei: ‘Mijn discipelen moeten niet alleen ophouden kwaad te doen, maar leren goed te doen; jullie moet niet alleen gereinigd worden van bewuste zonde, maar je moet zelfs geen gevoelens van schuld met je om willen dragen. Indien je je zonden belijdt, zijn ze vergeven; daarom moet je je geweten vrijhouden van kwellingen.’

(1736.5) 156:2.8 Jezus genoot zeer van het grote gevoel voor humor dat deze niet-Joden aan de dag legden. Het was zowel het gevoel voor humor dat Norana, de Syrische vrouw, aan de dag legde als haar grote, volhardende geloof, dat het hart van de Meester raakte en een beroep deed op zijn barmhartigheid. Jezus betreurde het zeer dat het zijn eigen volk – de Joden – zo aan humor ontbrak. Hij zei eens tegen Tomas: ‘Mijn volk neemt zichzelf te serieus; het ontbreekt hen vrijwel geheel aan zin voor humor. De moeizame godsdienst van de Farizeeën had nooit kunnen ontstaan bij een volk met gevoel voor humor. Ze zijn ook niet consequent; ze ziften muggen uit en slikken kamelen door.’

3. De tocht langs de kust

(1736.6) 156:3.1 Op dinsdag 28 juni, vertrok de Meester met zijn gezelschap uit Sidon en ging langs de kust naar het noorden, naar Porphyreon en Heldua. Ze werden door de niet-Joodse bevolking goed ontvangen en velen werden in deze week van onderricht en prediking aan het koninkrijk toegevoegd. De apostelen predikten in Porphyreon en de evangelisten gaven onderricht in Heldua. Terwijl de vierentwintig zo met hun werk bezig waren, verliet Jezus hen gedurende drie of vier dagen om een bezoek te brengen aan de kuststad Beiroet, waar hij een Syriër bezocht, Malach, een gelovige die het jaar tevoren in Betsaïda was geweest.

(1737.1) 156:3.2 Woensdag, 6 juli, kwamen ze allen in Sidon terug en bleven daar ten huize van Justa, tot hun vertrek naar Tyrus op zondagmorgen; ze liepen in zuidelijke richting langs de kust via Sarepta en kwamen maandag, 11 juli, in Tyrus aan. Intussen raakten de apostelen en evangelisten gewend aan het werken onder deze zogenaamde heidenen, die in werkelijkheid voor het merendeel afstamden van de vroegere Kanaänitische stammen, die zelf van nog eerdere Semitische afkomst waren. Al deze mensen spraken Grieks. De apostelen en de evangelisten waren zeer verrast toen ze merkten hoe verlangend deze niet-Joden waren om het evangelie te horen en met welk een bereidwilligheid velen van hen geloofden.

4. In Tyrus

(1737.2) 156:4.1 Van 11 tot 24 juli gaven zij onderricht in Tyrus. Iedere apostel nam een van de evangelisten mee en zo onderrichtten en predikten zij twee aan twee in alle buurten van Tyrus en omstreken. De veeltalige bevolking van deze drukke zeehaven luisterde met blijdschap naar hen en velen werden door de doop in de uiterlijke gemeenschap van het koninkrijk opgenomen. Jezus had zijn hoofdkwartier ten huize van Jozef, een gelovige Jood, die ongeveer vijf kilometer ten zuiden van Tyrus woonde, niet ver van het graf van Hiram die ten tijde van David en Salomo koning was geweest van de stadstaat Tyrus.

(1737.3) 156:4.2 Gedurende deze twee weken kwamen de apostelen en de evangelisten elke dag via de dam van Alexander naar Tyrus om kleine bijeenkomsten te houden, en elke avond gingen de meesten van hen gewoonlijk terug naar het kamp bij het huis van Jozef ten zuiden van de stad. Dagelijks kwamen er gelovigen uit de stad naar de plaats waar Jezus rusthield om met hem te spreken. De Meester sprak slechts eenmaal in Tyrus, en wel op 20 juli in de middag, toen hij de gelovigen onderrichtte over de liefde van de Vader voor de gehele mensheid en over de missie van de Zoon om de Vader aan alle volkeren der mensheid te openbaren. Er was zo’n grote belangstelling voor het evangelie van het koninkrijk onder deze niet-Joden, dat bij deze gelegenheid de deuren van de tempel van Melkart voor hem geopend werden, en het is interessant te vermelden dat in latere jaren precies op de plaats van deze oude tempel een Christelijke kerk werd gebouwd.

(1737.4) 156:4.3 Velen van de voorlieden bij de fabricage van het Tyrische purper, de kleurstof die Tyrus en Sidon over de gehele wereld beroemd had gemaakt en zoveel bijdroeg tot hun wereldwijde handel en de welstand die daaruit voortvloeide, geloofden in het koninkrijk. Toen kort daarna de aanvoer van de zeedieren waaruit deze kleurstof werd bereid, begon te verminderen, gingen de kleurstofbereiders op zoek naar nieuwe vindplaatsen van deze schaaldieren. En terwijl ze zo over de gehele wereld trokken, droegen zij de boodschap met zich mee van het vaderschap van God en de broederschap der mensen – het evangelie van het koninkrijk.

5. Het onderricht van Jezus in Tyrus

(1737.5) 156:5.1 Deze woensdagmiddag vertelde Jezus in de loop van zijn toespraak zijn volgelingen eerst het verhaal van de witte lelie, die haar zuivere, sneeuwwitte bloem hoog verheft in de zonneschijn, terwijl haar wortels in het slijk en de modder van de verduisterde aarde daaronder zijn gegrond. ‘Zo kan ook de sterfelijke mens’, zei hij, ‘hoewel hij zijn wortels van oorsprong en wezen in de dierlijke bodem van de menselijke natuur heeft, door geloof zijn geestelijke natuur opheffen in het zonlicht van de hemelse waarheid en zo daadwerkelijk de edele vruchten van de geest voortbrengen.’

(1738.1) 156:5.2 In deze zelfde toespraak maakte Jezus voor de eerste en enige maal gebruik van een gelijkenis die met zijn eigen beroep – het timmermansambacht – te maken had. Hij liet zijn aanmaning: ‘Leg degelijke grondslagen voor de groei van een nobel karakter met geestelijke kwaliteiten,’ vergezeld gaan van de woorden: ‘Om de vruchten van de geest voort te brengen moet ge uit de geest worden geboren. Ge moet door de geest onderricht en geleid worden, indien ge het van de geest vervulde leven wilt leiden onder uw medemensen. Maak echter niet dezelfde fout als de dwaze timmerman die kostbare tijd verspilt door het kanten, meten en schaven van zijn wormstekige, van binnen vermolmde timmerhout, om vervolgens, nadat hij zo al zijn arbeid aan de ondeugdelijke balk besteed heeft, deze moet afkeuren als niet geschikt om gebruikt te worden in de fundamenten van het gebouw dat hij zo wil maken, dat het de aanvallen van de tijd en van stormen kan doorstaan. Laat een ieder zorgen dat de verstandelijke en morele grondslagen van zijn karakter zo zijn, dat ze voldoende ondersteuning geven aan de bovenbouw van de vrijmakende en veredelende geestelijke natuur die het sterfelijke bewustzijn zal transformeren en vervolgens, in samenwerking met het herschapen denken, de ontwikkeling zal bewerkstelligen van de ziel, met naar onsterfelijke bestemming. Uw geestelijke natuur – de gezamenlijk geschapen ziel – is een levend en groeiend iets, maar het denken en de morele beginselen van de individuele mens zijn de bodem waaruit deze hogere manifestaties van de menselijke ontwikkeling en goddelijke bestemming moeten ontspruiten. De bodem van de tot ontwikkeling komende ziel is menselijk en materieel, maar de bestemming van deze gecombineerde schepping van het denken en de geest is geestelijk en goddelijk.’

(1738.2) 156:5.3 Die avond vroeg Natanael aan Jezus: ‘Meester, waarom bidden wij of God ons niet in verzoeking wil leiden, terwijl we uit uw openbaring van de Vader heel goed weten dat hij zoiets nooit doet?’ Jezus antwoordde Natanael:

(1738.3) 156:5.4 ‘Het is niet verwonderlijk dat je zulke vragen stelt, gezien het feit dat je de Vader begint te kennen zoals ik hem ken, en niet zoals de oude profeten der Hebreeën hem vagelijk zagen. Je weet heel goed hoe onze voorvaderen geneigd waren God te zien in bijna alles wat er gebeurde. Ze zochten de hand Gods in alle natuurlijke voorvallen en in ieder ongewoon voorval in de menselijke ervaring. Ze brachten God in verband zowel met het goede als met het kwade. Ze dachten dat hij het hart van Mozes vertederde en het hart van Farao verhardde. Wanneer de mens een sterke impuls voelde om iets te doen, placht hij een verklaring voor deze ongewone gevoelens te geven met de woorden: “De Heer sprak tot mij zeggende, doe dit of doe dat, of ga hierheen of ga daarheen.” En daar de mensen zo vaak en zo hevig in verleiding kwamen, werd het daarom de gewoonte van onze voorvaderen om te geloven dat God hen in verleiding bracht om hen op de proef te stellen, te straffen of te sterken. Maar jullie weet nu inderdaad wel beter. Jullie weten dat de mensen maar al te dikwijls in verleiding komen door de impuls van hun eigen zelfzucht en de ingevingen van hun dierlijke natuur. Wanneer jullie op deze wijze in verleiding komt, raad ik jullie aan de verleiding eerlijk en oprecht als zodanig te erkennen, maar dan de energieën van geest, verstand en lichaam die tot uitdrukking willen komen, in hogere banen te leiden en op idealistischer doeleinden te richten. Op deze manier kun je je verleidingen omzetten in de hoogste vormen van verheffend dienstbetoon als stervelingen, terwijl je deze verspillende en verzwakkende conflicten tussen de dierlijke en de geestelijke natuur bijna geheel vermijdt.

(1738.4) 156:5.5 ‘Maar laat mij jullie mogen waarschuwen voor de dwaasheid om, zuiver door de kracht van de menselijke wil, verleiding te boven te komen door te trachten het ene verlangen te vervangen door een ander, vermeend hoger, verlangen. Indien je waarlijk over de verleidingen van de mindere, lagere natuur wilt zegevieren, moet je tot dat punt van geestelijke superioriteit komen waar je echt en waarlijk, daadwerkelijke belangstelling en liefde voor, de hogere en meer idealistische vormen van gedrag hebt ontwikkeld, die je bewustzijn verlangt in de plaats te stellen van de lagere, minder idealistische gewoonten van gedrag, die jullie onderkennen als verleiding. Je zult op deze wijze veeleer verlost worden door geestelijke transformatie, dan dat je steeds meer overbelast raakt door de bedrieglijke onderdrukking van sterfelijke verlangens. Het oude en het inferieure zal vergeten worden in de liefde voor het nieuwe en superieure. Schoonheid triomfeert altijd over lelijkheid in het hart van allen die verlicht worden door de liefde voor waarheid. Er schuilt machtige kracht in de uitbannende energie van een nieuwe, oprechte geestelijke liefde. En wederom zeg ik tot jullie, laat je niet verslaan door het kwaad, maar overwin het kwaad met het goede.’

(1739.1) 156:5.6 Tot diep in de nacht bleven de apostelen en de evangelisten vragen stellen, en uit de vele antwoorden zouden wij de volgende gedachten willen weergeven in moderne bewoording- en:

(1739.2) 156:5.7 Krachtige ambitie, een verstandig oordeel, en gerijpte wijsheid zijn de essentiële voorwaarden voor materieel succes. Leiderscapaciteiten zijn afhankelijk van natuurlijke bekwaamheid, oordeelkundigheid, wilskracht en vastberadenheid. Je geestelijke bestemming is afhankelijk van geloof, liefde en toewijding aan de waarheid – honger en dorst naar gerechtigheid – het oprechte verlangen om God te vinden en te zijn zoals hij.

(1739.3) 156:5.8 Laat je niet ontmoedigen door de ontdekking dat je menselijk bent. De menselijke natuur neigt misschien naar het kwaad, maar is niet inherent zondig. Laat je niet terneerslaan doordat je niet al je betreurenswaardige ervaringen kunt vergeten. De fouten die je in de tijd niet kunt vergeten, zullen in de eeuwigheid worden vergeten. Verlicht de last van je ziel door snel een lange-afstandsvisie te verwerven op je bestemming, een universum-uitbreiding van je loopbaan.

(1739.4) 156:5.9 Maak niet de fout dat je de waardigheid van de ziel berekent naar de onvolmaaktheden van het bewustzijn of de begeerten van het lichaam. Beoordeel de ziel niet en schat haar bestemming niet naar de standaard van een enkele onfortuinlijke menselijke episode. Je geestelijke bestemming hangt alleen af van je geestelijke verlangens en doeleinden.

(1739.5) 156:5.10 Religie is de uitsluitend geestelijke ervaring van de evoluerende onsterfelijke ziel van de Godkennende mens, maar morele kracht en geestelijke energie zijn machtige krachten die kunnen worden aangewend om moeilijke sociale situaties te hanteren en ingewikkelde economische problemen op te lossen. Deze morele en geestelijke gaven maken alle niveaus van het menselijke leven rijker en zinvoller.

(1739.6) 156:5.11 Je bent voorbestemd tot een bekrompen en armelijk leven als je alleen leert liefhebben wie jou liefhebben. Menselijke liefde kan inderdaad wederkerig zijn, maar goddelijke liefde is extravert in al haar zoeken naar voldoening. Hoe minder liefde een schepsel in zijn natuur heeft, des te groter is zijn behoefte aan liefde, en des te meer zoekt de goddelijke liefde deze behoefte te bevredigen. Liefde zoekt nimmer zichzelf, en zij kan niet aan zichzelf worden geschonken. Goddelijke liefde kan niet binnen zichzelf besloten blijven: zij moet onzelfzuchtig worden geschonken.

(1739.7) 156:5.12 Zij die in het koninkrijk geloven, dienen een impliciet geloof te bezitten in, met hun ganse ziel overtuigd te zijn van, de zekere triomf van rechtvaardigheid. Bouwers van het koninkrijk moeten niet twijfelen aan de waarheid van het evangelie van het eeuwige heil. Gelovigen moeten steeds beter leren om naast het geraas des levens te gaan staan – te ontsnappen aan de irritaties van het materiële bestaan – terwijl zij de ziel verkwikken, het bewustzijn inspireren en de geest vernieuwen door godvererende gemeenschap.

(1739.8) 156:5.13 Zij die God kennen, raken niet ontmoedigd door tegenslag of terneergeslagen door teleurstelling. Gelovigen zijn onvatbaar voor de neerslachtigheid die volgt op zuiver materiële beroering; zij die uit de geest leven, worden niet van streek gebracht door de voorvallen in de materiële wereld. Kandidaten voor het eeuwige leven betrachten een versterkende en constructieve methode om alle wisselvalligheden en irritaties in het sterfelijke leven het hoofd te bieden. Iedere dag dat een ware gelovige leeft, vindt hij het gemakkelijker om het juiste te doen.

(1740.1) 156:5.14 Geestelijk leven vergroot het ware zelfrespect enorm. Zelfrespect is echter geen zelf bewondering. Zelfrespect is altijd gecoördineerd met liefde voor, en dienstbaarheid aan, de medemensen. Het is niet mogelijk om meer respect te hebben voor jezelf dan liefde voor je naaste: het ene is de maat van de capaciteit tot het andere.

(1740.2) 156:5.15 Iedere dag die voorbijgaat, wordt iedere ware gelovige er bedrevener in om de liefde voor de eeuwige waarheid aanlokkelijk te maken voor zijn medemens. Ben je vandaag vindingrijker dan gisteren in het openbaren van goedheid aan de mensheid? Kun je rechtvaardigheid dit jaar beter aanbevelen dan verleden jaar? Word je steeds kunstzinniger in je methode om hongerige zielen het geestelijk koninkrijk binnen te leiden?

(1740.3) 156:5.16 Zijn je idealen verheven genoeg om je eeuwige heil te waarborgen, terwijl je ideeën zo praktisch zijn dat ze je tot een nuttig burger maken, die in samenwerking met zijn mede-stervelingen kan functioneren? In de geest zijn jullie burgers van de hemel; in het vlees zijn jullie nog steeds burgers van de koninkrijken op aarde. Geef aan de Caesars de dingen die materieel zijn en aan God de dingen die geestelijk zijn.

(1740.4) 156:5.17 De maat van het geestelijke vermogen van je evoluerende ziel is jullie geloof in waarheid en jullie liefde voor de mens, maar de maat van jullie menselijke karaktersterkte is je vermogen om in te gaan tegen het koesteren van grieven, en je capaciteit om je te verzetten tegen tobberijen wanneer je met diep verdriet wordt geconfronteerd. Een nederlaag is de ware spiegel waarin je eerlijk je werkelijke zelf kunt zien.

(1740.5) 156:5.18 Worden jullie, terwijl je ouder wordt en meer ervaren in de zaken van het koninkrijk, ook tactvoller in het omgaan met lastige stervelingen en toleranter in het optrekken met koppige medewerkers? Tact is het steunpunt voor het hefboomeffect in het sociale leven en verdraagzaamheid is het kenmerk van een grote ziel. Indien je deze zeldzame, aantrekkelijke gaven bezit, zul je na verloop van tijd alerter en bedrevener worden in je waardige pogingen om alle onnodige misverstanden in je sociale omgang te vermijden. Een wijze ziel kan veel moeilijkheden vermijden die zeker ten deel zullen vallen aan allen die lijden aan een gebrek aan emotionele aanpassing, degenen die weigeren volwassen te worden, en degenen die weigeren met gratie oud te worden.

(1740.6) 156:5.19 Vermijd oneerlijkheid en onbillijkheid bij al jullie inspanningen om de waarheid te prediken en het evangelie te verkondigen. Zoek geen erkenning die je niet verdiend hebt en hunker niet naar sympathie waarop je geen recht hebt. Aanvaard liefde vrijelijk, zowel uit goddelijke als menselijke bronnen, en geef je liefde daar vrijelijk voor terug. Zoek echter in alle andere dingen die met eer en bewieroking te maken hebben, slechts wat je eerlijk toekomt.

(1740.7) 156:5.20 De sterveling die zich van God bewust is, is zeker van zijn redding; hij staat onbevreesd in het leven; hij is eerlijk en consequent. Hij weet hoe hij onvermijdelijk lijden moedig moet verduren: hij klaagt niet wanneer hij voor onontkoombare tegenspoed komt te staan.

(1740.8) 156:5.21 De ware gelovige wordt niet moede goed te doen alleen maar omdat hij wordt tegengewerkt. Moeilijkheden wakkeren de bezieling aan van de minnaar der waarheid, terwijl hinderpalen slechts een uitdaging vormen voor de inspanningen van de onversaagde bouwer van het koninkrijk.

(1740.9) 156:5.22 En nog vele andere dingen onderrichtte Jezus hen, voordat zij zich gereedmaakten om uit Tyrus te vertrekken.

(1740.10) 156:5.23 De dag voordat Jezus wegging uit Tyrus om terug te keren naar de streek rond het meer van Galilea, riep hij zijn metgezellen bijeen en droeg hij de twaalf evangelisten op om langs een andere weg terug te gaan dan die hij en de twaalf apostelen zouden nemen. En nadat de evangelisten Jezus hier hadden verlaten, zouden zij nooit meer zo nauw met hem verbonden zijn.

6. De terugkeer uit Fenicië

(1741.1) 156:6.1 Rond het middaguur op zondag 24 juli, verlieten Jezus en de twaalf het huis van Jozef, ten zuiden van Tyrus, en liepen zij in zuidelijke richting langs de kust naar Ptolemaïs. Hier bleven zij een dag en spraken opbeurende woorden tot het gezelschap gelovigen in die plaats. Petrus predikte tot hen in de avond van 25 juli.

(1741.2) 156:6.2 Dinsdag vertrokken zij uit Ptolemaïs en liepen in oostelijke richting langs de weg naar Tiberias het land in, tot in de buurt van Jotbata. Woensdag onderbraken zij hun tocht in Jotbata en gaven de gelovigen verder onderricht in de dingen van het koninkrijk. Donderdag vertrokken zij uit Jotbata en gingen noordwaarts langs het pad dat van Nazaret naar de berg Libanon liep, via Rama naar het dorp Zebulon. Vrijdag hielden zij bijeenkomsten in Rama en bleven daar gedurende de Sabbat. Op zondag, 31 juli, kwamen zij in Zebulon aan, hielden daar ’s avonds een bijeenkomst, en vertrokken de volgende ochtend weer.

(1741.3) 156:6.3 Na hun vertrek uit Zebulon trokken zij door tot aan de kruising met de weg van Magdala naar Sidon, in de buurt van Gischala, en vandaar trokken zij naar Gennesaret aan de westelijke oever van het meer van Galilea, ten zuiden van Kafarnaüm, waar ze afgesproken hadden David Zebedeüs te ontmoeten en van plan waren te beraadslagen over de volgende stap die gezet moest worden in het werk van de verkondiging van het evangelie van het koninkrijk.

(1741.4) 156:6.4 Tijdens een korte bespreking met David, hoorden zij dat juist op dat ogenblik vele leiders aan de overzijde van het meer bij Gerasa bijeengekomen waren, en bijgevolg zette een boot hen nog diezelfde avond over. Eén dag verbleven zij in alle stilte in de bergen en de dag daarop gingen zij naar het nabijgelegen park, waar de Meester eens de vijfduizend had gespijzigd. Hier namen zij drie dagen rust en hielden dagelijkse besprekingen, waaraan ongeveer vijftig mannen en vrouwen deelnamen, zij die overgebleven waren van het eens zo talrijke gezelschap gelovigen in Kafarnaüm en omstreken.

(1741.5) 156:6.5 Tijdens de periode van Jezus’ afwezigheid uit Kafarnaüm en Galilea vanwege zijn verblijf in Fenicië, namen zijn vijanden aan dat de gehele beweging uiteen was gevallen, en zij concludeerden dat de haast waarmee Jezus de wijk had genomen, te kennen gaf dat hem zo ernstig schrik was aangejaagd, dat het niet waarschijnlijk was dat hij ooit zou terugkeren om hen lastig te vallen. Bijna alle actieve oppositie tegen zijn onderricht was weggeëbd. De gelovigen begonnen opnieuw openbare bijeenkomsten te houden en er vond een geleidelijke, maar doeltreffende consolidatie plaats van de beproefde, ware overlevenden van de grote zifting die de gelovigen in het evangelie zo juist hadden doorgemaakt.

(1741.6) 156:6.6 Filippus, de broer van Herodes, was half en half in Jezus gaan geloven, en stuurde bericht dat het de Meester vrijstond in zijn gebied te wonen en te werken.

(1741.7) 156:6.7 Het algemene bevel om de synagogen van het gehele Jodendom voor de leer van Jezus en al zijn volgelingen te sluiten, had voor de schriftgeleerden en Farizeeën een nadelige uitwerking gehad. Onmiddellijk nadat Jezus als voorwerp van verdeeldheid van het toneel was verdwenen, deed zich onder het gehele Joodse volk een reactie voor: er heerste een algemeen gevoelen van wrok tegen de Farizeeën en de leiders van het Sanhedrin in Jeruzalem. Vele oversten van de synagogen begonnen heimelijk hun synagogen open te stellen voor Abner en zijn metgezellen, bewerend dat deze leraren volgelingen van Johannes waren en geen discipelen van Jezus.

(1741.8) 156:6.8 Zelfs Herodes Antipas was tot ander inzicht gekomen, en toen hij vernam dat Jezus aan de overzijde van het meer in het gebied van zijn broer Filippus verblijfhield, liet hij hem weten dat hij weliswaar het bevel tot zijn arrestatie in Galilea getekend had, maar geen machtiging tot inhechtenisneming in Perea had verstrekt, daarmee te kennen gevend dat Jezus niet lastig gevallen zou worden indien hij buiten Galilea bleef; deze beslissing deelde hij ook aan de Joden in Jeruzalem mede.

(1742.1) 156:6.9 Zo was de situatie omstreeks 1 augustus a.d. 29, toen de Meester van zijn zending in Fenicië terugkeerde en aan de reorganisatie van zijn verstrooide, op de proef gestelde en uitgedunde strijdkrachten begon ten behoeve van dit laatste, veelbewogen jaar van zijn missie op aarde.

(1742.2) 156:6.10 De geschilpunten waarover slag zal worden geleverd, zijn duidelijk opgesteld nu de Meester en zijn metgezellen zich opmaken om een nieuwe religie te gaan verkondigen, de religie van de geest van de levende God die woont in het bewustzijn van mensen.


Información de fondo

AfdrukkenAfdrukken

Urantia Foundation, 533 Diversey Parkway, Chicago, IL 60614 USA |
Telefoon: +1-773-525-3319
© Urantia Foundation. Alle rechten voorbehouden